Afscheid van Nederland (6)

Lieve Sylvia

De tijd dat ik nog hier ben, zal ik je gezelschap en zonnige humeur blijven missen, maar ik ben blij te horen dat je op de stranden van mijn land eindelijk het droomhuis hebt gevonden waar je al zo lang naar op zoek bent.

Omdat ik zelf een ingeboren afkeer van de kust heb, benijd ik je niet om de spectaculaire ligging ervan, maar wel om de ruimte en het comfort die het biedt. Ik moet zelfs toegeven dat ik, als vrouwe Fortuna míj zo zou bedenken, misschien minder gevoelig zou worden voor het irritante suizen van de wind en het permanente geruis van de golven.

Het is slechts weinigen vergund de trotse bezitter te worden van wat ooit een koninklijk buiten was. En onder die weinigen zullen er maar een paar het geluk hebben om zoals jij een dergelijk juweeltje voor de klassieke habbekrats op de kop te tikken. Wat mijn vaste overtuiging weer eens bevestigt dat ergens hoog in de hemel een instantie speciaal belast is met de begeleiding van Nederlanders die zich in Portugal vestigen. Al een paar keer heb ik van toevalstreffers gehoord die alleen kunnen worden verklaard door een of andere vorm van goddelijke protectie. Want als een neus voor zaken, een gezond stel hersens en een fikse dosis sluwheid genoeg was, dan geloof ik dat heel wat landgenoten van mij aan de vereisten zouden voldoen.

Alleen bovennatuurlijke bescherming lijkt mij dus te verklaren dat, terwijl bijna alle achtduizend Portugezen die in Nederland wonen hard moeten werken voor de kost, het merendeel van de elfduizend Nederlanders die zich tot nu toe in Portugal gevestigd hebben, een luilekker leventje leidt in een land waar de overheid - tot heil van de vermogenden - nog vele jaren, wellicht generaties, zal blijven klagen dat het onmogelijk is om een efficiënt belastingstelsel op te bouwen.

Maar ik schrijf je niet om te jammeren over het onrecht in de wereld of de nalatigheid van de bewindvoerders. In de eerste plaats wil ik je, zoals ik al zei, feliciteren met je aankoop. Alleen zou ik daar een opmerking aan toe willen voegen die je mij, je liefde voor eerlijkheid kennende, beslist niet kwalijk zult nemen. Uit de lange brief die je mij stuurt om verslag te doen van je indrukken, moet ik helaas afleiden dat de intelligente, gevoelige Sylvia die ik kende, na een klein jaar Portugal al begint af te glijden naar de betuttelende houding van hen die vanuit de hoogte van hun zelfgenoegzaamheid met minzaam dédain neerblikken op de hen omringende werkelijkheid. Zo beschrijf je mij 'de bedrijvigheid in de enorme gewelfde keuken, waar de meiden kalkoenen zitten te plukken met kokend water uit grote dampende ketels, terwijl de honden in de hoekjes snuffelen' - een overdaad aan meervouden waar een ijdelheid uit spreekt die ik bij jou niet verwacht had. En alsof dat nog niet genoeg was om mij de wenkbrauwen te doen fronsen, volgen ook nog eens de pittoreske bedelaars aan wie je op bepaalde dagen een aalmoes geeft, de dankbare vissersvrouwen die je handen kussen omdat je zo rijkelijk inslaat, de dagloners die vol ontzag hun hoed afnemen wanneer jij langskomt.

Door het onvermijdelijke associatiespel van het geheugen moest ik door je brief aan de heer R. Flaes denken, beter bekend onder zijn literaire pseudoniem F.C. Terborgh, die in de buurt van Sintra woonde en daar enkele jaren geleden gestorven is. Wat ik van zijn werk heb gelezen, dat talentvol heet te zijn, kon mij niet boeien, maar wel is me altijd heel goed de minachting bijgebleven waarmee hij over mijn volk sprak. En terwijl dat me bij het herlezen van je brief te binnen schoot, bedacht ik hoe jammer het zou zijn als op zekere dag ook iemand van jou zou zeggen dat je wel talent had maar geen hart.

Hartelijke groeten.

    • J. Rentes de Carvalho