Achterstallig onderhoud

Dat iemand een vinger uitsteekt naar ons kleinood, de tolerantie, is al niet best. Dat het een buitenlander betreft die zich laatdunkende commentaren veroorlooft over onze puike volksaard is nog een stuk minder. En dat het hier om een Duitser gaat die beweert dat onze vrijzinnigheid verdacht veel lijkt op onverschilligheid, is in alle opzichten een brug te ver. De opwinding naar aanleiding van het artikel van Erich Wiedemann in Der Spiegel, geeft aan dat hij een gevoelige plek heeft geraakt.

Zijn centrale stelling is dat de tolerantie in Nederland langzaamaan is uitgehold door het 'gedogen'. Nu wordt er inderdaad veel met de mantel der liefde bedekt. Daarbij kunnen we denken aan uitdijende hoerenkasten in wat ooit een rustige wijk was, illegale naaiateliers waar de kinderarbeid van de negentiende eeuw nog werkelijkheid is, de crackroker die in een volle metro door angstig lege stoelen wordt omringd, de graffiti die de aanblik van een pas geschilderd huis ruïneren, het bevolkingsregister dat uitpuilt van de uitkeringsgerechtigden die voorgeven alleen te wonen, de spreidstand van Arie van der Valk voor de gevangenispoort in Scheveningen en ten slotte de dronken voetbalsupporter die evenveel politiebegeleiding krijgt als een bezoekend staatshoofd.

De ziektebeelden kunnen naar believen aaneen worden geregen. Wiedemann heeft gelijk als hij aandacht vraagt voor de schaduwkanten van de tolerantie, ook als hij de produktieve kanten ervan onderschat. Ons gedogen is een mengeling van echte vrijzinnigheid, van bestuurlijke onmacht, van onverschilligheid met een menselijk gezicht, van het besef dat repressie vaak weinig oplevert, en vooral van de gedachte dat het over de grens altijd erger is dan bij ons.

Tolerantie is in Nederland nooit een toonbeeld van liberalisme geweest. Zij bestond uit de gedisciplineerde omgang met culturele en religieuze verschillen en kwam zeker niet voort uit de gedachte van “leven en laten leven”. De verdraagzaamheid werd groepsgewijs beleden. Ernest Zahn schrijft in zijn Regenten, rebellen en reformatoren: “De tolerantie die hier in het geding is, moet inderdaad niet als een persoonlijke eigenschap worden opgevat. Ze is ook geen nationale deugd die als een fraaie bloem aan de inborst van een braaf volk zou zijn ontsproten en nu door iedereen zou worden belichaamd.”

Als we de kleine eeuw van de verzuiling bekijken (1880-1960) dan valt op dat de schotten tussen de levensbeschouwelijke minderheden hoog waren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het geringe aantal gemengde huwelijken tussen protestanten en katholieken. En ook binnen de zuilen was de openheid voor afwijkende meningen en gedrag niet bijzonder groot. De politicoloog Lijphart spreekt onder meer over “autocratische macht” van de elites binnen de zuilen, over de verzuiling als vorm van “apartheid” en over tolerantie als “een pragmatische aanvaarding van geestelijke verzuildheid”. Verdraagzaamheid in Nederland was een kwestie van veel organisatie en onderhoud door bestuurders die zich realiseerden hoe precair de maatschappelijke vrede was.

In dat opzicht hebben we een uitzonderlijke tijd achter ons, waarin een zeer ontspannen en welvarende samenleving de teugels heeft laten vieren. De illusie van onkwetsbaarheid was heel sterk in de jaren na de wederopbouw en het leek alsof de verdraagzaamheid zich als vanzelf bestendigde en verdiepte. Dit tijdperk is begonnen en afgesloten met een actie van mariniers. Toen de cadetten in augustus 1970 de Dam verlosten van het “langharig en werkschuw tuig” werd dat toch over het geheel gezien als het gemor van een achterhoede. Hoe anders was de reactie toen mariniers in de zomer van 1992 de junks van Perron O in Rotterdam wegknuppelden. In menig opzicht was hier de voorhoede van het nieuwe normbesef aan het werk.

Waarom neemt de tolerantie nu zo snel af? Drie belangrijke waarborgen van onze betrekkelijk ontspannen gemeenschapszin - de rechtsstaat, de verzorgingsstaat en de natie-staat - staan onder druk. Het gevoelen van velen is immers dat het geboefte, de fraudeurs en de verre buren de overhand krijgen. Dat heeft zeker ook te maken met het vele gedogen. Maar het probleem zit dieper. De bestuurders in Nederland worstelen intussen met de vraag welke middelen ze nog hebben om de roep van de straat vóór te zijn.

De uitholling van de rechtsstaat is in de ogen van de meeste burgers waarschijnlijk het grootste probleem. Nu op aanzienlijke schaal een gevoel van onveiligheid heerst en getwijfeld wordt aan de rechtsbescherming door de overheid, neemt de aanvaarding van afwijkend gedrag af. Bange mensen zijn niet tolerant. Er is vast te laks omgesprongen met de 'kleine' criminaliteit. Maar de afgenomen sociale controle in de samenleving kan niet louter met dwangmiddelen door de overheid worden opgevangen. Was het maar alleen een kwestie van meer politie op straat.

Dat geldt ook voor de sociale zekerheid. Natuurlijk is die door slordig beheer en fraude aangetast. Maar evenzeer zetten de internationale concurrentie en een zwakke economie de verzorgingsstaat onder druk. Dat raakt vooral degenen die het laatst in de Nederlandse samenleving zijn geïntegreerd, voorheen de arbeidersklasse. De concurrentie tussen deze laatkomers en de nieuwkomers van buiten is hevig want menigeen beseft dat het 'last in, first out' zal zijn. Met de afnemende sociale bescherming van de maatschappelijk kwetsbaarste groepen wordt de tolerantie ten opzichte van immigranten zwaar op de proef gesteld.

Ten slotte wordt geknaagd aan de natie-staat zelf, dat wil zeggen aan de gedachte dat de staat berust op een min of meer homogeen volk. De toename van het aantal asielzoekers heeft ook te maken met ondoorzichtige procedures, maar is toch allereerst een gevolg van zoiets als de oorlog in Joegoslavië. Met de groei van het aantal vreemdelingen neemt het vanzelfsprekende gevoel van verwantschap in de bevolking af. Door onze gelukkige geschiedenis zonder grote etnische conflicten, hebben we de eigen natie-staat nooit als een probleem ervaren. Dat zelfvertrouwen brokkelt af.

Burgers ontlenen minder rechtszekerheid, sociale bescherming en culturele bevestiging aan de huidige staat. Nu deze hoekstenen van onze tevreden natie zijn gaan schuiven, keren velen zich af van de liberale overheid en van een open samenleving. Ze vluchten in iets anders: de afsluiting voor het vreemde, de ingebeelde zekerheid van het “wij onder elkaar”, de knusse waarheid van het “vol is vol”.

De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud. De samenleving is natuurlijk weerbarstiger geworden en dat maakt het onderhoud ook veel moeilijker dan vroeger. Wel hebben de regeerders onderschat hoe breekbaar de maatschappelijke vrede is. De politieke bovenlaag die vroeger over een duidelijke beschavingsmissie beschikte, twijfelt aan zichzelf en dreigt meer en meer haar greep op de maatschappelijke onvrede te verliezen. De voorlieden zijn van de weeromstuit een en al oor. D66 werft zelfs met een affiche dat geheel en al uit dit sympathieke zintuig bestaat.

De wijdverbreide vrees voor bevoogding brengt de publicisten Jos van der Lans en Paul Kuypers in een recent verschenen pamflet tot een pleidooi voor 'een modern paternalisme' in de zorgsector: “Wij pleiten voor een professionele invulling van een gegeven dat wij tot de kern van de Nederlandse verzorgingsstaat blijven rekenen - het uitgangspunt dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten. En dat betekent inderdaad bemoeien, opzoeken, meegaan, aanbellen, regelen, sturen en niet (professioneel) wachten tot het te laat is.”

Is zo'n 'beschavingsoffensief' niet iets van vervlogen tijden? Beschikken onze regeerders over de middelen én de moraal om de wrokkige onderdanen tot een vreedzaam samenleven te blijven verleiden? Verdraagzaamheid komt niet voort uit het vrije spel der maatschappelijke krachten. Zoals gezegd: tolerantie in Nederland is nooit een toonbeeld van liberalisme geweest.

    • Paul Scheffer