Waar blijft de nieuwe orde?

Jean-Marie Guéhenno: La fin de la démocratie; 171 blz., Flammarion 1993, ƒ 34,40

Het einde van de politiek is aangebroken. Deze stelling verdedigt Jean-Marie Guéhenno in zijn vorig jaar verschenen La fin de la démocratie. Politiek moet betrokken zijn op een grondgebied, maar in staatkundig, cultureel, monetair, economisch, militair en juridisch opzicht zijn alle grenzen vloeiend geworden. Een politieke gemeenschap dient te wortelen in een verleden en te reiken naar een toekomst, maar de media met hun eendagsbeelden en one-liners beheersen nu elk denkkader. Het politieke debat kan zich alleen groeperen rond maatschappelijke principes en waarden, maar marktrelaties hebben de plaats ingenomen van burgerschap. Legitimiteit moet berusten op een stelsel van macht en tegenwicht, maar dit fysische concept heeft plaatsgemaakt voor een biologische verstrengeling.

Democratie beoogde een politieke ordening van conflicten, maar nu worden meningsverschillen nog slechts teruggevoerd op misverstanden, waarbij volgens het model van Rousseau de minderheid zich blijkbaar heeft verkeken op wat de algemene wil inhoudt. Corruptie leek een overblijfsel van een archaïsch verleden, maar is nu een uitvloeisel van de vermenging van publieke en private sfeer, zoal niet een rechtmatig emolument voor onderbetaalde ambtenaren met marktwaarde. In de buitenlandse politiek bestonden nationale ambities - wat resteert zijn humanitaire acties voor de publieke tribune. Het optreden tegen Saddam Hussein luidde geen nieuwe orde in, maar was de stuiptrekking van de oude orde toen de wil van een staat nog iets vermocht in gang te zetten.

Is dit alles te somber? Veel van de afzonderlijke opmerkingen van Guéhenno kan men ook bij andere denkers en publicisten aantreffen. Jacques Derrida schrijft in zijn vorig jaar verschenen Spectres de Marx dat het gezag van politici niet zozeer wordt ondermijnd door een veelheid van schandalen, als wel doordat zij alleen nog als tv-persoonlijkheden bestaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat in een land als Frankrijk schandalen de politici nauwelijks nog deren. Naar hartelust kunnen zij de justitie hekelen die hen op financiële of constitutionele onregelmatigheden betrapt. En president Mitterrand verkeert helemaal buiten schot. Het parlement van de Vijfde Republiek blijft op reces van Sinterklaas tot Pasen, tenzij de president anders beslist.

Vrijwel doorlopend staat de hele binnenlandse en buitenlandse politiek in het teken van de concurrentie om het eens in de zeven jaar te vergeven hoogste staatsambt. Een ambt dat bij een gelijkgezind parlement vrijwel absolute macht garandeert en de bekleder ervan gelegenheid biedt verantwoordelijkheid te ontlopen voor alles wat misgaat of impopulair is. Hoewel de president zich hoeder acht van het nationale belang en van de buitenlandse betrekkingen, brandt hij zijn vingers niet aan een vrije aftocht voor terroristen naar Iran of een ultimatum aan de Serven.

Met zijn boek Les peurs françaises had de journalist Alain Duhamel vorig jaar nog gepoogd het Franse geloof in de politiek te herstellen en daartoe aller ogen gericht op de Europese Economische en Monetaire Unie. Dit was evenwel vóór de valutacrisis: sindsdien kan ook dit perspectief niet meer bezielen.

Internationaal

Voorstanders van eerherstel voor principes in de politiek krijgen nu onverwachte steun van een Franse ambassadeur. Het boek van Guéhenno is internationaal in zijn blikveld: de stof en inspiratie heeft de auteur verzameld op zijn wereldreizen als hoofd planning van het Franse ministerie van buitenlandse zaken. Tegelijk is het Frans in de begripsmatige opzet. De schrijver constateert het einde van het tijdperk van de Verlichting. De geestelijke leegte laat zich niet vullen met nieuwe instituties, nationaal of Europees. Voor een nieuw besef van algemeen belang en individueel geweten moeten we volgens hem heel ver teruggrijpen in de ideeëngeschiedenis.

Guéhenno weet dat hij het tij niet mee heeft. Tegenover HP/De Tijd typeerde hij de huidige politiek als een “grote wedstrijd om op elkaar te lijken”. Hij kent één troost: het democratische tijdperk had ook geen oplossing voor alles en het beroep op de volkswil heeft menige onderdrukking gewettigd.

Eind vorig jaar noemde The Economist, afwijkend van zijn gewoonte alleen boeken te bespreken die in het Engels beschikbaar zijn, La fin de la démocratie het beste venster op de toekomst en pleitte het blad voor een spoedige vertaling. Zover is het nog niet. Maar inderdaad mogen we vaststellen dat Frankrijk zijn partij in de internationale vakliteratuur met boeken als dit weer volop meeblaast.

    • S. Rozemond