Tot de Talen Gewapend

Maart 1994. Victor, een Braziliaan op het Rembrandtplein, zijn paraplu verbrijzeld tot een spel Mikado door windkracht-negen, wendde zich tot Ramon, een Chileen.

“Het Nederlandse klimaat”, zuchtte hij, “is net als heel langzaam rijden door een auto-wasstraat met alle ramen open en de knop op herhaal.”

“Sterker nog”, vulde Ramon aan. “Als het Nederlandse klimaat een persoon was, zou een zware therapie met een stel doorgewinterde psychiaters van levensbelang zijn. Zijn identiteitscrisis het hoofd bieden zou niet meevallen, de seizoenen zijn langzamerhand verdwenen, en wat blijft over? Vier herfst-trivianten!”

“Varianten”, corrigeerde de natte Braziliaan sambaloos.

En het gesprek vond plaats in keurig Nederlands. Als Engelsman mag ik niet te veel mopperen over klimatologische onvolkomenheden maar andere buitenlanders, murw gebeukt door weer en wind, doen dat wel.

Maar wat moeten jullie toch met al die zeurende asiel-, werk- en goudzoekers? Nu dan, vooral koesteren, want de import-Chileen, -Rus en -Iraniër, zijn taalkundig gezien Neerlands Hoop. Het dagelijkse portie sumo-worstelen met de zwaargewicht der talen houdt ze op de been en levert een kostbare bijdrage in de strijd tegen de taalverloedering.

Vluchtelingen hier worden duizend keer liever murw gebeukt door het weer dan door Saddam of Zjirinovski. En die Chileen weet heus wel dat in het zuidelijke Punta Arenas het weer veel gemener kan toeslaan dan waar Zwolle ooit slecht van kan dromen, en daarom worstelen ze zo met de taal.

Onlangs verscheen een vluchteling uit Iran, Kader Abdolah, op de televisie, te gast bij die sympathieke intellectuele bullebak, Ischa Meijer. Deze Perzische dichter had al na vijf jaar een mooi poëtisch boek in het Nederlands geschreven.

In breekbaar indrukwekkend Nederlands en met een zeldzame hartstocht vertelde hij over de dingen die hem bezig hielden; over de marteling van zijn geboorteland, zijn familie in Iran, en over zijn huidige woonplaats, Zwolle. Hij wendde zich tot zijn gastheer en gaf hem ook een lyrisch weerbericht.

“Geen vogel durft te vliegen over dit land! Het regent! Het regent! En het regent!”

Meijer stond paf, een voor hem schier onmogelijke stelling. Ademloos luisterde hij naar de dichter. Hij heeft nog nooit zo lang aan één stuk door zijn mond dicht gehouden.

Na afloop van het betoog keek hij naar zijn gast met bewondering en iets van vaderlijke trots. Met zulke gasten zal versnipperen van het Nederlands taalkundig erfgoed reuze mee vallen.

Met de twee oprichters van Securi-taal, Cox en Gaaikema, ligt het anders. Tot de talen gewapend, bewaken die twee komedianten de verkeerde ingang. Het zijn gewoon mopperkonten, die voornamelijk letten op overmatig gebruik van Engels in tv-reclame voor maandverband, wc-papier en luiers. Maar domme reclametaal is net zo wegwerp als wc-papier, dat komt door de verachting die alle lagen van de bevolking voelen voor nonsens-taal als super-thin en megabright. Dergelijke taal, net als een sukkelende baby, is alleen levensvatbaar binnen de couveuse van de televisie. Niemand zou het ooit in zijn hoofd halen om het door te geven, een belangrijk fundament voor een levend(ig)e taal.

Een paar avonden na zijn televisie-optreden kwam bij de dichter een Russische kennis op bezoek in Zwolle. Zij zette haar kletsnatte paraplu in de bak en hij las het weerbericht.

“Geen vogel durft te vliegen over dit land! Het regent! Het regent! En het regent!”

“Maar toch”, antwoordde de Russin, dik in haar Tass hier onder de zeespiegel wonend.

“In Amsterdam dansen de huizen langs de grachten.”

Ze lachten, en de dichter schonk medeklinkend de Bokma in.

Maar iets later, kijkend naar de televisie, sloeg de sfeer in Zwolle radicaal om. Met verbijstering luisterden ze naar een Nederlandse scenario-schrijfster, medeverantwoordelijk voor de tv-serie G.T.S.T. (Goede Tijden Slechte Tijden), in de volksmond beter bekend als T.K.P.L. (Televisie Kijken Pijn Lijden).

Ze had kennelijk op een blauwe maandag met de Olau Line gevaren, want op een gegeven moment zei ze tegen Ischa in wankelend Engels: “Beauty is in the eye of the beholder!” En toen De Dikke Man met blanco ogen naar haar keek zei ze lachend: “Heb je hem?”

Meijer had hem natuurlijk allerminst want zijn Engels reikt niet verder dan So what! In general! en Of aaaaaall things! en waarom zou het?

“Beauty is in the eye of the beholder! Mijn God! Mijn God!” jammerde de Perzische dichter. “Nu breekt mijn genaturaliseerde klomp! Gebruik je moerstaal, trut!”

En hij sloeg zo hard met zijn vuist op tafel dat De Ontdekking van de Hemel naar beneden donderde en vier van zijn tenen brak.

    • Fred Caren