Starre arbeidsmarkt tikt als een tijdbom onder Nederland

Het is bijna onvoorstelbaar. Amper drie jaar geleden struinden metaalwerkgevers uit de Rijnmond de Spaanse, Portugese en Joegoslavische arbeidsmarkt nog af op zoek naar vakbekwame lassers. En directies van ziekenhuizen klaagden steen en been dat ze niet aan geschikt verplegend personeel konden komen. Nederland had toen (eind 1990) officieel 350.000 werklozen, maar ook bijna 100.000 vacatures. En het ergste was: ze pasten slecht bij elkaar.

Sindsdien is de arbeidsmarkt almaar slechter geworden. Het aantal werklozen is deze maand de 500.000 gepasseerd en de vacatures zijn ineengeschrompeld tot zo'n 30.000 stuks. De noodzaak van 'kostenreductie' is deze week vast pandoer bij de presentatie van elk jaarverslag en alleen amusementsgrossier Joop van den Ende en fast food-koning Jan Sybesma denken daarbij niet in de eerste plaats aan het schrappen van nog meer banen.

Hier tikt een zware tijdbom onder de Nederlandse samenleving. Niet alleen de cijfers zijn verontrustend, ook het patroon deugt niet. Ruim 40 procent van alle werklozen is langer dan een jaar zonder werk en de kans dat zij nog weer aan de slag komen wordt met de dag kleiner. Want nieuwkomers hebben de voorkeur, ook als de economie aantrekt. Van elke tien banen die er in de tweede helft van de jaren tachtig bijkwamen, werden er negen ingenomen door 'toetreders' tot de arbeidsmarkt.

Aan deze toetreders is (voorlopig) geen gebrek. Tot de eeuwwisseling zullen het er jaarlijks ongeveer 70.000 zijn. Voeg daarbij dat de immigratie aanhoudt en dat het de bedoeling is dat er meer gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan werk worden geholpen en het wordt duidelijk dat er ieder jaar alleen al zo'n 100.000 banen bíj moeten komen om de werkloosheid op het huidige peil te stabiliseren.

Wat moet er dan wel niet gebeuren om haar echt een kop kleiner te maken? In het verleden wist Nederland daar wel raad mee. Het verborg werklozen in de WAO of de VUT, of telde ze (ouder dan 57,5 jaar) gewoon niet meer mee. Die trucendoos is echter in diskrediet geraakt. Nu moet iets anders worden bedacht.

Voor een deel komen de aangedragen oplossingen uit de eerste lessen van de cursus 'staatshuishoudkunde': meer groei, meer handel, meer produktiviteit, meer scholing en meer kostenbeheersing. Maar temidden van deze aloude wijsheden valt nog een andere rode draad te traceren. Zowel in Den Haag, als in Brussel (EU), als in Detroit (G7) heeft men hoge verwachtingen van 'meer markt'.

In de praktijk komt dat neer op flexibilisering en deregulering in het arbeidsbestel in combinatie met een rehabilitatie van het midden- en kleinbedrijf. Want dat zou beweeglijk en inventief genoeg zijn om banen te genereren die grote concerns en overheden weggesaneren of afstoten.

Flexibilisering betekent voor Nederland vooral meer loondifferentiatie. Nu staat de beloning vaak haaks op de verhoudingen op de arbeidsmarkt. Zo zagen werknemers met een beroepsopleiding hun bruto loon in de periode 1979 - 1989 met gemiddeld bijna 1 procent per jaar achteruitgaan in vergelijking met werknemers met een algemeen vormende opleiding, terwijl de arbeidsmarkt voor BO'ers juist aanmerkelijk krapper was dan voor AVO'ers.

Een obstakel voor meer loondifferentiatie vormt de hoogte van het wettelijk minimumloon. Het legt een bodem in het loongebouw, die mensen met een lage arbeidsproduktiviteit uit de markt prijst. Voor critici gelden de Verenigde Staten als lichtend voorbeeld. Daar daalde het uurloon van laaggeschoolden het afgelopen decennium met 20 procent. Hun werkgelegenheid boomde navenant, waardoor de Amerikaanse werkloosheidsstatistieken aanmerkelijk minder alarmerend ogen dan de Nederlandse. Voor een deel is dat echter gezichtsbedrog, want velen zakten in de VS ondanks een junk job door de armoedegrens en verruilden het werklozenleger voor dat van de working poor.

Flexibilisering betekent ook meer variatie in arbeids(tijd)patronen. De behoefte daaraan groeit, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. Enerzijds stijgt onder werknemers de belangstelling voor (grote) deeltijdbanen. Eén op de drie banen in Nederland is inmiddels een deeltijdbaan. Anderzijds proberen bedrijven werknemers steeds efficiënter in te zetten. Daarbij tekent zich een tweedeling af tussen 'kernwerknemers' van wie een grote employability (betrokkenheid èn veranderingsgezindheid) wordt verlangd en 'satellietwerknemers' die minstens zo'n grote flexibiliteit aan de dag moeten leggen, maar overigens minder vastheid, voorspelbaarheid en regelmaat kunnen claimen. Tijdelijk werk beloopt nu ongeveer tien procent van de totale loonarbeid.

Het tweede spoor om de arbeidsmarkt op te porren heet 'deregulering'. Op dit terrein spreidt minister De Vries (soaciale zaken en werkgelegenheid) in zijn laatste ambtsjaar een opmerkelijke activiteit ten toon. Zo wil hij de preventieve ontslagtoets, die in Europa verder alleen in Spanje bestaat, afschaffen. Daarnaast wil hij de vergunningstelsels voor uitzendarbeid en private arbeidsbemiddeling opheffen en de arbeidstijdenwet verruimen.

Tenslotte wil hij de reikwijdte van bedrijfstak-CAO's beperken, onder meer om een einde te maken aan het in de meeste bedrijfstakken geldende verbod om het wettelijk minimumloon uit te betalen. Een verbod dat door de groeiende afstand afstand tussen dit wettelijk minimumloon en het laagste CAO-loon bizarre trekken heeft gekregen. Het verschil was in de marktsector tien jaar geleden gemiddeld 1 procent, nu bedraagt het circa 12 procent.

Hoe voortvarend dit kapwerk ook mag lijken, het heeft de regeldichtheid nog niet verminderd. In de eertse plaats zijn het nog voorstellen en in de tweede plaats is er de afgelopen jaren een hele reeks nieuwe regels (TAV, TBA, TZ/Arbo en Wet beveordering evenredige arbeidsdeelname allochtone werknemers) bijgekomen, waarvan de positieve effecten nog moeten blijken. Want wie denkt dat het WAO-gat de dynamiek op de arbeidsmarkt ten goede komt, moet voor de aardigheid de lappendeken van reparatieregelingen eens bekijken.

Analyses van de problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt monden ook steevast uit in pleidooien voor versobering van de sociale zekerheid en de 'institutionele vormgeving' daar omheen. De bestaande arrangementen bij werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en vervroegde pensionering zijn bedoeld als bescherming tegen de willekeur van de arbeidsmarkt, maar zij blijken ook dikwijls inactiviteit te bevorderen. Mede daardoor is de deelname aan het arbeidsproces in Nederland internationaal gezien gering. Dagelijks staan meer dan twee miljoen werklozen, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en VUT'ers langs de kant. “In de internationale competitie sturen we een elftal in het veld waarbij zes spelers de opdracht hebben er vijf op hun schouders mee te dragen”, schetste het werkgeversverbond VNO onlangs de scheefgroei.

Op het Nederlandse arbeidsmarkt mag het 'onderste segment' zich al jaren in een grote aandacht van de beleidsmakers verheugen, althans wat de aanbodzijde betreft. Wat er aan scholing en subsidies viel te bedenken, is bedacht, vaak ook geprobeerd en meestal geen succes gebleken. De problemen blijven zich er opstapelen: de werkloosheid onder laaggeschoolden is twee keer zo hoog als de gemiddelde werkloosheid, er zijn te weinig rendabele banen voor laaggeschoolden en bestaande vacatures op laaggeschoold niveau (winkelpersoneel, schoonmaakpersoneel, laders/lossers, verpleeg-assistenten en tuindersknechten zaten eind een jaar geleden nog in de vacature-top-tien) blijken moeilijk vervulbaar.

Een speciale commissie onder leiding van ex-Euro-commissaris Andriessen speurt naar nieuwe initiatieven om de arbeidsmarkt voor deze groeiende probleemgroep open te breken. Een uitgekiend pakket van sociale en fiscale prikkels moet leiden tot herwaardering van eenvoudig handwerk, transformatie van latente arbeid en formalisering van informele arbeid. Maar niemand moet opkijken als bij de volgende conjuncturele opleving weer in het buitenland moet worden geworven. Want daarvoor kent de arbeidsmarkt te veel grillen en nukken.

(Voor dit artikel is onder meer gebruikt gemaakt van rapporten van CPB, Ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid, OESO en OSA.)