Slachtoffers van Robespierre

De Franse Revolutie vrat de Markies de Condorcet en Anacharsis Cloots vrijwel tegelijkertijd op. Dat is niet de enige overeenkomst tussen de twee. 'De laatste filosoof van de Franse Verlichting' vertoonde door zijn geloof in een maakbare samenleving een naïviteit die hem verrassend dicht in de buurt brengt van de 'half-Nederlandse provo'.

Elisabeth en Robert Badinter: Markies de Condorcet, Van Oorschot 1993, vert. Frans de Haan (Condorcet, un intellectuel en politique 1743-1794, Fayard '89/Livre de Poche '90, ƒ 26,50), ƒ 89,- (geb.), ƒ 69,- (pb)

Condorcet: Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain, 252 blz., Flammarion '82/Livre de Poche '89, ƒ 15,75

Twee eeuwen geleden, in maart 1794, stierven binnen het bestek van één week twee mannen die beiden hun eigen opvallende rol hadden gespeeld in de Franse Revolutie en die nu het slachtoffer werden van de degeneratie van deze revolutie in de beruchte Terreur: de Markies de Condorcet (geboren in 1743) en Anacharsis Cloots (geboren in 1755). De laatste stierf op de toen 'gebruikelijke' wijze onder de guillotine, de eerste kwam om het leven, door zelfmoord of fysieke uitputting, nadat hij op de vlucht voor het terreur-regime was verraden en gearresteerd.

Van beide mannen is Condorcet ongetwijfeld de beroemdste en Cloots een bijna vergeten figuur buiten een kring van specialisten over de Franse Revolutie; en deze kring is in Nederland beperkt. Desondanks was hij in veel opzichten een interessante persoonlijkheid en bovendien van een puur Nederlandse origine, ook al was hij geboren in het Pruisische Kleef en dus officieel een Pruis, wat zijn politieke vijanden, met voorop Robespierre, hem later ook hebben ingepeperd: iemand die als Pruis was geboren en later ook nog een cadetten-opleiding had gevolgd onder Frederik de Grote, die was tenminste een potentiële landverrader. De ouders van Cloots waren beiden echter geboren Amsterdammers en naar Kleef getrokken om daar te genieten van de enorme erfenis van een oudoom, en misschien ook omdat zij gelovige katholieken waren.

Hun zoon zou zich in de loop van zijn opleiding onder de hoede van geestelijken tot een fanatieke antipapist en tenslotte ook atheïst ontwikkelen, maar dat kwam in die verlichte eeuw vaker voor. Deze opleiding, in Brussel en Parijs, was zowel op de klassieken georiënteerd als volstrekt 'francofoon', en beide elementen vindt men overvloedig terug in zijn latere geschriften, die alle Franstalig waren en bovendien doorspekt van klassieke elementen en associaties; zo werkte dat toen, en wie deze zaken niet begreep of tenminste schijnbaar beheerste, stond bij voorbaat buiten spel.

Als Pruisisch staatsburger trok Cloots na deze opleiding naar Berlijn voor de genoemde militaire vorming. Volgens eigen getuigenis zou hij daar al spoedig hebben gerebelleerd tegen de militaristische drilgeest van het regime van de grote Frederik; dit neemt niet weg dat hij daar jaren is gebleven en dat hij zich later als revolutionair een enthousiaste voorstander van de oorlog zou tonen, die april 1792 met een Franse oorlogsverklaring aan de Oostenrijkse keizer begon. Dit betekende weliswaar een revolutie-oorlog die alleen maar kon resulteren in een bevrijding van alle volkeren van Europa die nog zuchtten onder de oude vormen van dwingelandij, maar toch: hij toonde zich wel erg krijgshaftig - en verder natuurlijk boordevol illusies over de komende ontwikkelingen en de onvermijdelijke triomf van de Fransen en hun onweerstaanbare revolutie. Zo verliep het, zoals we weten, allemaal dus niet, al was het maar omdat de oude regimes zich taaier toonden dan veel verhitte geesten dachten en wilden denken, omdat de revolutie ontaardde in een gruwelijke terreur en burgeroorlog en omdat op Robespierre een Napoleon Bonaparte volgde en de permanente Europese oorlogstoestand tot in het jaar 1815.

Wie de geschriften van Cloots leest - en dat waren talloze, want de revolutie inspireerde hem, als zo vele anderen, tot een ware stortvloed van geëngageerd en polemisch proza - vindt hierin niets terug van deze boze toekomst, omdat hij nu eenmaal een fanatieke radicaal was en er heilig van overtuigd dat de hele wereld op korte termijn een volstrekt ander en mooier aanzien zou krijgen. Aangenomen althans dat men wilde luisteren naar de blijde boodschap die hij en zijn geestverwanten verkondigden over de totale ommekeer die op de Franse omwenteling zou volgen op ongeveer alle gebieden, die overigens vaak meer suggestief dan nauwkeurig werden beschreven of opgeroepen (als een fata morgana, kan men denken, die in de politiek wel vaker naar woestijnen leidt).

Bij mijn geboeide lectuur hiervan heb ik er vaak aan gedacht dat deze Cloots zich in onze jaren '60 waarschijnlijk buitengewoon 'thuis' zou hebben gevoeld, en zeker in de stad van zijn ouders, Amsterdam; en wel als een 'provo' voor wie geen ideologische zee hoog genoeg kon gaan (met dien verstande dat onze provo's later doorgaans een burgerlijk bestaan te wachten stond, en Cloots de guillotine). Wat in zijn proza vanaf 1789 bovendien opvalt (wat hij daarvóór schreef is weinig interessant), is het journalistieke karakter ervan, in die zin dat hij voortreffelijk en vlot stileerde en dat zijn geschriften een zeer 'moderne' indruk maken en nog altijd uiterst leesbaar zijn.

Hieraan had hij waarschijnlijk ook de invloed te danken die hij ondanks alles - en ondanks alle irritatie die zijn principieel oneerbiedige houding en, niet te vergeten, zijn enorme rijkdom zeker hebben gewekt - kennelijk toch heeft uitgeoefend. Hieraan moet echter meteen worden toegevoegd dat veel Fransen (Parijzenaars) van die tijd hem waarschijnlijk toch voor een soort ideologische dorpsgek hebben versleten.

Een uitgangspunt van deze opinie is zeker de geruchtmakende 'deputatie van de mensheid' ('le genre humain') geweest, die zich de 19de juni 1790 onder zijn leiding aan de Nationale Vergadering presenteerde en die was samengesteld uit vertegenwoordigers van alle denkbare volkeren, tot de meest exotische toe. Welke laatste, naar velen aannamen, verklede en door Cloots betaalde Fransen waren; sedertdien begon men hem hier en daar te vergelijken met de hoofdpersoon van Voltaires beroemdste satire: Candide ('ou de l'optimisme'), die al even onnozel was geweest en geboren op een Westfaals kasteel.

Wat Cloots in hoge mate miste, was zo iets als tact en besef van politieke machtsverhoudingen, zodat hij tenslotte bijna alle personen en partijen in Parijs tegen zich in het harnas had gejaagd. Maar ook zonder dit onmiskenbare talent voor 'the gentle art of making enemies' was hij, als zo vele anderen, waarschijnlijk toch een slachtoffer van Robespierre en consorten geworden, die in allen een vijand zagen die niet tot hun 'partij' behoorden. Na zijn arrestatie op 27 december 1793 werd hij betrokken in het proces tegen de zogenoemde Hébertisten en met dezen naar het schavot gereden. Wat Cloots sierde, was zijn onverschrokkenheid (in tegenstelling tot het jammerlijke gedrag van de volksmenner Hébert) in het gezicht van de dood; maar iets dergelijks - dat mannen als helden sterven - hadden de klassieke studies uit zijn jeugd hem waarschijnlijk al geleerd.

Aan de markies de Condorcet is onvergelijkelijk meer aandacht besteed dan aan Cloots, en in onze eeuw in toenemende mate, al was het maar omdat hij de mooie reputatie bezit van 'de laatste filosoof' van de Franse Verlichting. Hieraan is nog bijgedragen door de biografie van Elisabeth en Robert Badinter, die vorig jaar ook in Nederlandse vertaling is verschenen (bij Van Oorschot), waarnaar ik mag verwijzen (inclusief de uitvoerige bibliografie die een indruk geeft van de omvang van alle Condorcet-studies).

In de ogen van de bewonderende Badinters vertegenwoordigde Condorcet zo ongeveer alles wat men in een menslievende en idealistische denker, wetenschapsman en politieke activist maar kan verlangen, en vóór alles een onverschrokken kampioenschap voor alle denkbare goede zaken die ook toen al in het geding waren, zoals de vrijheid en gelijkwaardigheid van (neger)slaven, vrouwen, joden, protestanten, zieken, tegenover alle onrecht van de kant der heersende machten; en dat waren in de eerste plaats de kerk en het voorrevolutionaire regime. Onder dit stelsel heeft Condorcet desondanks, hoe idealistisch en betrekkelijk wereldvreemd hij ook mocht zijn of lijken, een aanzienlijke carrière kunnen maken; zo despotisch en achterlijk was dit 'oude regime' dus ook weer niet.

Er is geen twijfel aan dat Condorcets betekenis als denker en man van de wetenschap, en ook wel als politicus, overigens niet zijn meest succesvolle loopbaan, aanmerkelijk groter is dan die van een Cloots; maar dat maakt de aan hem gewijde literatuur al overduidelijk. Desondanks koester ik op grond van een eigen lectuur van zijn 'werken' toch enige scepsis tegenover het door de Badinters geschilderde portret van een even universele als idealistische man van de late Verlichting. Want aan Condorcets enthousiasme en idealisme valt moeilijk te tornen, maar in de wetenschappelijke en wijsgerige fundering van deze acties toont hij mijns inziens een niet geringe naïviteit en wereldvreemdheid, die hem merkwaardigerwijze in de buurt brengt van onze semi-landgenoot Cloots.

Wat mij hierbij vooral heeft gefrappeerd, is Condorcets neiging te denken dat zaken die men op papier tot in alle details heeft beschreven en om zo te zeggen geregeld, zich in de maatschappelijke werkelijkheid ook zo (en vooral zo mooi en harmonisch) zullen verwerkelijken; en dat was dus ongeveer wat men in onze tijd heeft getypeerd als de idee van een maakbaarheid van onze samenleving. In zijn volstrekte geloof hieraan is Condorcet tot aan zijn bittere einde toe kennelijk nooit geschokt, zoals wij kunnen opmaken uit zijn beroemdste, postuum verschenen verhandeling over de wereldgeschiedenis: Esquisse d'un tableau historique des progrès de l'esprit humain (Schets van een historisch tafereel van de vooruitgang van de menselijke geest), dat hij grotendeels schreef tijdens zijn 'onderduik'.

In het tiende en beroemdste hoofdstuk hiervan worden alle zegeningen geëtaleerd die de mensheid ten deel zouden vallen indien of wanneer deze mensheid zich maar zou laten leiden door de regels van het gezonde en verlichte verstand, en door de wetenschap. Waarvan intussen inderdaad zeer veel in onze moderne maatschappij is gerealiseerd, en zeer veel helaas ook heel anders is afgelopen. Maar in dit opzicht deelde Condorcet het lot van alle profeten: dat veel van hun voorspellingen uitkwam en zeer veel helemaal niet.

Ik ben mij ervan bewust dat ik in dit korte bestek niet veel meer heb kunnen doen dan hopelijk enige interesse te wekken voor deze twee figuren. Voor Condorcet verwijs ik naar de vermelde biografie; de laatste Nederlandse vertaling van zijn Esquisse dateert helaas van het jaar 1802 (Franse edities zijn er in overvloed). De twaalf delen van zijn Oeuvres zijn ook in Nederland aanwezig, zoals in de bibliotheek van de Rotterdamse Erasmus-Universiteit.

De gepubliceerde geschriften van Cloots zijn eveneens in Nederland te raadplegen. In 1988 is bovendien een mooie catalogus verschenen naar aanleiding van een tentoonstelling in Kleef: Anacharsis Cloots/Der Redner des Menschengeschlechts, waaraan ik ook ontleende dat de bekende en eveneens in Kleef geboren kunstenaar Joseph Beuys tot zijn bewonderaars behoorde.

Als enige Nederlandse bijdragen tot de Cloots-kunde vond ik in het literatuur-overzicht een artikel van J.G.F.M.G. Baron von Hövell tot Westerflier in Huldeblijk, Bundel opstellen aan de genealoog Jan J.M.H. Verzijl (Roermond 1967), die zelf een afstammeling is van de enige (langer levende) broer van Cloots. En de titel van een artikel in het tijdschrift Fibula (nr. 9 afl. 4) uit 1968 van de hand van F. Diepenbrock.

Er valt kortom in het land van zijn herkomst nog een en ander te studeren en te schrijven over deze vreemde vogel en zijn ideologische bevlogenheid; inclusief het aspect dat dit begrip van de 'ideologie' zelf van kort na zijn dood stamt, te weten van de graaf Destutt de Tracy; het eerste deel van diens boekwerk over de Eléments d'idéologie verscheen in 1801 en zou vanwege deze titel een bepaalde onsterfelijkheid verwerven.