Reis door het heelal

Govert Schilling: De Salon van God 270 blz., geïll., Wereldbibliotheek 1993, ƒ 37,50

Zal de mens ooit in staat zijn het bouwplan van de kosmos te doorgronden? Of is dat voorbehouden aan God? Zullen wij ooit begrijpen hoe er ordening in de chaotische oersoep is ontstaan: waarom materie zich ging ophopen in uitgestrekte superclusters van sterrenstelsels, gescheiden door onafzienbare lege ruimten? Kunnen we deze kosmische structuren in kaart brengen en zo de architectuur en misschien zelfs de evolutie van het heelal achterhalen?

De sterrenhemel die wij vandaag zien verschilt in vrijwel niets van die van gisteren, of die van vorig jaar of van tweeduizend jaar geleden. Aristoteles, Copernicus, Einstein en Schilling hebben allen in verwondering onder dezelfde zon, maan, planeten en sterren gestaan. Het enige dat er in de loop van de tijd is veranderd is de manier waarop de mensen naar de sterrenhemel hebben gekeken en de plaats die men zich in de kosmos meende te moeten toebedelen.

Aristoteles geloofde dat de aarde het onwrikbare middelpunt van het heelal was en Copernicus meende dat de zon de centrale plaats in de kosmos innam. Pas enkele eeuwen geleden drong het inzicht door dat alle sterren aan de hemel zonnen zijn en dat de aarde maar een kleine planeet is in een baan om één van die sterren. Gezamenlijk vormen al die sterren het melkwegstelsel. En sinds vrij kort weten we dat zelfs ons melkwegstelsel slechts een van de ontelbare sterrenstelsels in het heelal is.

In De Salon van God neemt Schilling de lezer mee op een speurtocht naar de bouw van het heelal. Het is een heelal dat al vijftien miljard jaar uitdijt en in de toekomst misschien weer zal gaan inkrimpen. Een heelal waarin zich donkere materie verscholen houdt, zwaartekrachtslenzen optische illusies tevoorschijn toveren en zwarte gaten als reuze-stofzuigers fungeren. Een heelal waarin kosmische alchemie wordt bedreven die ook tot het ontstaan van de mens heeft geleid.

Weten we nu al hoe het heelal in elkaar zit? Als het om de pure inventarisatie van objecten gaat, min of meer wel. Maar als het om het ontstaan en de ontwikkeling van dat alles gaat, zeker niet. Enerzijds kan er, zoals gebruikelijk in de wetenschap, na ieder antwoord weer naar een 'waarom' worden gevraagd. En anderzijds wordt het, naarmate we dieper in het heelal doordringen, steeds moeilijker om de dingen die we daar zien op hun juiste plaats en in de juiste tijd te zetten. Want dieper in het heelal kijken betekent ook: verder terugkijken in de tijd. We krijgen te maken met een extra, onzekere dimensie.

Vroeger was kosmologie, het zoeken naar het ontstaan en de ontwikkeling van het heelal, voor een groot deel filosofie, of een wetenschappelijk substituut voor religie. Nu zijn we voor het eerst in staat om ideeën en theorieën direct te toetsen aan de waargenomen feiten. Maar onderhand zijn sommige 'feiten' geen vanzelfsprekende dingen meer. Een deel van de nieuw verworven kennis blijkt heel moeilijk in te passen in de wereld waarmee we dagelijks te maken hebben.

We weten dat het heelal onbegrensd is, maar toch een bepaalde grootte heeft. Ook is het heelal niet oneindig oud, want het dijt uit en moet dus ooit heel klein en jong zijn geweest. Maar wat moeten we ons nu voorstellen bij de begrippen 'grens' en 'leeftijd'? Als het heelal (zoals zijn naam zegt) alles omvat, hoe kan dit alles dan begrensd zijn in ruimte en tijd? Wat was er dan voor het ontstaan van het heelal, vóór de Oerknal, en wat is of was er 'buiten' het waarneembare heelal?

Volgens de moderne kosmologie luidt het antwoord hierop: niets en de relativistische natuurkunde is ook aardig in staat om dit antwoord te staven. Het stellen van de vraag wat er vóór de Oerknal was heeft net zo weinig zin als het stellen van de vraag wat er ten noorden van de Noordpool is. Maar sommige wetenschappers hebben geen vrede met deze verklaring en ontwikkelen alternatieve theorieën om dit bijna emotionele probleem te omzeilen.

De Salon van God is een uitstekend geschreven boek over de ontwikkeling van de kosmologie. Aan het slot gaat Schilling in op de plaats van de mens in het heelal en op de vraag of er een God nodig is om het heelal te verklaren. Veel kosmologen zijn van mening dat er in de natuurwetenschap geen plaats is voor God. Niet alle kosmologen zijn echter atheïsten. Sommigen zien de natuurwetten, al dan niet ondergebracht binnen één allesomvattende theorie, als een soort handtekening van God. Anderen beschouwen de natuurwetten, of het heelal zelf, als synoniem aan God. Want ook het pad van de wetenschap loopt uiteindelijk dood op de muur van de metafysica.

    • George Beekman