Pius XII

Omdat er ten tijde van Pius XII geen onfeilbare toekomstvoorspellers waren, zullen er altijd mensen zijn die menen te kunnen aantonen dat de houding van paus Pius XII ten aanzien van de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog goed dan wel slecht was. Tot de laatsten behoren correspondent Marc Leijendekker in zijn commentaar op het herstel der diplomatieke betrekkingen tussen Israel en de Heilige Stoel, en redacteur Charles Coster in zijn bespreking van een boek van Richard Lamb over de twee laatste oorlogsjaren in Italië (Boekenbijlage, 26 februari).

Charles Coster meent met hulp van een aantal achteraf-profeten te weten “dat een strenge pauselijke veroordeling van de massamoord duizenden joodse levens in en buiten Italië had kunnen redden”, zonder te kunnen aangeven hoeveel extra slachtoffers die gekost zou hebben. Ondanks alle 'steekhoudende argumenten' komt hij dan ook niet verder dan de subjectieve uitspraak bij uitstek: 'naar mijn mening'.

Te weinig wordt er verband gelegd tussen de houding van Pius XII en die van de leiding van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in die periode, aan het hoofd waarvan toen de Amelander aartsbisschop Jan de Jong stond, een van de leiders in het verzet tegen de Duitse bezetting. Meermalen hebben de Nederlandse Bisschoppen geprotesteerd tegen de mentaliteit en de handelwijze van die bezetter. Soms deden zij dat samen met de leiders van andere kerken, zoals op 11 juli 1942, toen zij aan generaal Christiansen, bevelhebber van de Wehrmacht in Nederland, schreven dat zij “met ontzetting kennis genomen” hadden “van de nieuwe maatregelen (tegen de joden), waardoor mannen, vrouwen, kinderen en geheele gezinnen zullen worden weggevoerd naar het Duitsche rijksgebied (...). Het leed dat hiermede over tienduizenden gebracht wordt (...), noopt de Kerken tot hem de dringende bede te richten, aan deze maatregelen geen uitvoering te geven.”

Commissaris-Generaal Schmidt reageert op dat openlijk protest als volgt in een toespraak gehouden op zondag 19 juli 1942 te Waubach (Z-L.): “Nu is de vorige week Zondag, vooral in de katholieke kerken, een schrijven voorgelezen, waarin de geestelijkheid critiek oefent op de maatregelen, welke genomen zijn tegen de joden (...). Zij meenen voor de joden te moeten opkomen (...). Ook in eenige Protestantsche kerken hebben voorlezingen plaatsgehad, waarin een principieel standpunt werd bepaald. De vertegenwoordigers van de Protestantsche kerken hebben ons echter medegedeeld, dat deze volledige voorlezing niet in hun voornemen gelegen heeft en door technische moeilijkheden niet overal kon worden voorkomen. Wanneer echter de katholieke geestelijkheid zich aan geen onderhandelingen stoort, zijn wij van onzen kant genoodzaakt de katholieke vol-joden als onze ergste tegenstanders te beschouwen en derhalve zoo spoedig mogelijk voor hun wegvoering naar het Oosten te zorgen. Dat is geschied.”

Wat er toen is geschied kunnen Charles Coster en Marc Leijendekker aan Edith Stein, een van zulke 'vol-jodinnen' uit een orthodox-joods gezin, en aan zeer vele andere slachtoffers vragen, zoals mijn vroegere leermeester pastoor Mathieu Meulenberg. Charles Coster zou, behalve al die boeken van Giacomo Debenedetti, Sam Waagenaar en Susan Zuccotti, “voor een zuivere beoordeling van deze kwestie” ook één tekst van tweeëneenhalve pagina kunnen lezen die niet vertelt wat er zeer waarschijnlijk zou geschied zijn na officiële kerkelijke protesten, maar wat er wèrkelijk is geschied. Die tekst dateert van 24 september 1942, ruim een jaar vóór de grote razzia in Rome van 16 oktober 1943, en is een 'Tussenbericht' van de SS-topman in Nederland Rauter aan Reichsführer-SS Himmler. Daarin vertelt Rauter onder meer over de waarlijk duivelse methoden die gebruikt zijn om de joden bijeen te krijgen en dat hij hoopt dat tegen kerstmis 1942 “in totaal 50.000 joden, de helft dus, uit Nederland verwijderd zullen zijn”.

Rauter schrijft verder: “Van de christelijke joden zijn in de tussentijd (dus vanaf het protest van 11 juli 1942, JB) de katholieke joden afgevoerd, omdat de vijf bisschoppen met aan het hoofd De Jong in Utrecht, zich niet aan de oorspronkelijke afspraken hebben gehouden. De protestantse joden zijn nog hier en het is inderdaad gelukt het eenheidsfront van katholieke en protestantse kerken open te breken. Aartsbisschop De Jong heeft tijdens een bisschoppenconferentie verklaard dat hij nooit meer met de protestanten en calvinisten een eenheidsfront zal aangaan. De storm die toentertijd, toen de evacuering begon, in de kerken opstak, werd zodoende sterk afgezwakt en is weggeëbd. De nieuwe Hollandse politie-eenheden van honderd man doen in het jodenvraagtuk uitstekend werk en arresteren dag en nacht de joden met honderden tegelijk.”

Hoe smartelijk verbijsterd moeten De Jong en zijn collegae zijn geweest te constateren dat zij moed betoond hadden ten koste van de vrijheid en de lijken van vele mensen voor wie zij verantwoording droegen, terwijl overigens het oppakken en moorden onverminderd voortging. Hieruit kon maar één praktische conclusie getrokken worden door Pius XII en zijn raadgevers, die zoals gezegd geen toekomstvoorspellers tot hun beschikking hadden en moesten extrapoleren uit een gegeven situatie: niet openlijk protesteren maar in stilte voor de joden doen wat er gedaan kon worden.

Had hij wèl openlijk geprotesteerd en had dat ook in de rest van de wereld averechts gewerkt - een zeer reële en wellicht zelfs de meest voor de hand liggende mogelijkheid gezien de ervaringen hier te lande en gezien het soort mensen dat het hier en elders voor het zeggen had - dan had Pius XII nu in de rij van de massamoordenaars gestaan. Daartoe wordt hij nu gerekend door een heel leger van beste stuurlui, die achteraf makkelijk menen te kunnen praten en van wie ik wel eens de indruk krijg dat zij via Pius XII de katholieken in het algemeen willen treffen.

    • Drs. Jo Bronneberg