Orestes is geen slaaf meer

In 1991 vluchtte de Cubaanse majoor Orestes Lorenzo met een MiG-23 naar de Verenigde Staten. Hij hoopte dat zijn vrouw en kinderen zijn land later zouden mogen verlaten. Toen dat na ruim een jaar niet was gebeurd, leende hij een vliegtuigje en haalde hen op. Het relaas van zijn jeugd onder het communisme, zijn toenemende gewetensbezwaren en het doldrieste avontuur verscheen kortgeleden in Nederlandse vertaling. Bij die gelegenheid waren Lorenzo en zijn herenigde gezin even in Amsterdam.

Orestes Lorenzo: Vleugels van de dageraad 404 blz., geïll., Meulenhoff 1994, vert. Martha Heesen ea., (Wings of the Morning 1993), ƒ 39,50

Orestes Lorenzo wilde Cuba niet afvallen. Hij wilde er alleen maar weg. En dat was hem gelukt. Herrie schoppen kon altijd nog, vond hij. Bijvoorbeeld als zijn vrouw en twee zoontjes, die hij had moeten achterlaten, geen toestemming zouden krijgen zich bij hem te voegen in Florida. Wat onwaarschijnlijk was, dacht hij, want de hoogste leiders hadden toch gezegd dat het iedereen vrij stond Cuba te verlaten?

Dat was kortzichtig, beseft hij nu wel. Want majoor Lorenzo was niet een van de vele naamlozen die op een vlot van autobanden de oversteek naar Florida wagen. Wie een moderne straaljager van de luchtmacht steelt en ermee naar de gehate Yanquis vliegt, is een verrader van de ergste soort. En een gevaar voor de socialistische Revolutie. Hoe had hij ooit kunnen denken dat Havana zijn daad zou belonen met een uitreisvisum voor zijn gezin?

Een paar maanden nadat hij op 20 maart 1991 zijn MiG-23 BN aan de grond had gezet op het militaire vliegveld van Key West, zocht hij alsnog de publiciteit - die was al die tijd tevergeefs naar hem op zoek geweest. Hij gaf interviews aan Amerikaanse kranten en CNN-host Larry King, en schreef in The Wall Street Journal te willen terugkeren voor een proces, mits dat openbaar zou zijn. Hij hield toespraken voor de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in Genève en voor een radiostation van Cubaanse ballingen in Miami, dat in Cuba goed is te ontvangen. Coretta King, de weduwe van Martin Luther King, en Danielle Mitterrand, de vrouw van de Franse president, deden een bemiddelingspoging bij Fidel Castro. Ten slotte ketende Lorenzo zich aan een hek in Madrid, tegenover het hotel waar op dat ogenblik Latijns-Amerikaanse staatshoofden - onder wie Castro - logeerden voor een topconferentie, en ging in hongerstaking.

Maar zijn gezin kreeg geen uitreisvisum. Wel werd hun bewaking verscherpt en werden zij steeds erger getreiterd, hoorde hij via via, en in de spaarzame telefoongesprekken die hij met hen tot stand wist te brengen. De Cubaanse autoriteiten probeerden zijn vrouw wijs te maken dat haar man in de VS “al lang een ander liefje” had gevonden.

Toen besloot Orestes Lorenzo het heft in eigen handen te nemen. Hij leende een tweemotorig vliegtuigje en vloog er op 19 december 1992 mee naar Cuba, laag boven zee om de radar te ontwijken. Daar landde hij, een viaduct en het verkeer ontwijkend, op een weg aan de baai van Matanzas, waar zijn vrouw en zoons stonden te wachten. Hij nam hen aan boord, kreeg zijn Cessna met Gods hulp tussen elektriciteitsdraden en bomen van de grond en vloog terug naar Florida.

Sindsdien is hij een held. En heeft hij een boek geschreven over zijn avonturen, over zijn jeugd als zoon van een voorbeeldige communist en zijn geweten dat steeds pijnlijker begon te knagen toen hij tijdens zijn opleiding tot gevechtsvlieger in de Sovjet-Unie ondervond wat glasnost en perestrojka daar aanrichtten.

Dat boek - onder de titel Vleugels van de dageraad juist in het Nederlands verschenen - is een bestseller. “Een ongelooflijk pakkend verhaal vol heldenmoed en liefdestrouw”, schreef het glossy tijdschrift Vanity Fair. En ook de filmrechten heeft hij goed verkocht. Op de drive van zijn nieuwe huis in Orlando staan twee auto's. Misschien gaat hij wel romans schrijven - een Cubaanse roman om te beginnen, natuurlijk, vol suikerriet en sigarerook. Of misschien solliciteert hij wel als verkeersvlieger. Maar voorlopig reist Orestes Lorenzo (39) met zijn vrouw Vicky (37) en zijn kinderen Reyniel (12) en Alejandro (7) - die al goed Nintendo kunnen spelen - de wereld over. Onlangs was hij in Amsterdam om zijn boek te presenteren, en om zijn eenvoudige boodschap te verkondigen.

Eerst kwamen de berichten over de misdaden van Stalin en Beria, het schimmige hoofd van de KGB. En nu waren het de misdaden die door andere belangrijke figuren onder het regime van Brezjnev waren gepleegd. De enorme sovjetstaat, voorhoede der beschaving, was gebouwd op de lijken van miljoenen slachtoffers.

Elk tijdschrift, elk nieuwsblad, elk parlementsdebat dat op de televisie werd uitgezonden bevestigde dat het een slechte wereld was waarin ik had geloofd en waarvoor ik zelfs had willen sterven. Tijdens het lezen voelde ik pijn maar ook woede, omdat ik al die jaren was gehersenspoeld. (...) Ik heb het gevoel dat ik niet mijn eigen leven heb geleid. (pag. 212-214)

“De Cubaanse politiek heeft mijn leven bepaald”, zegt Lorenzo in een Amsterdamse hotel-lobby terwijl hij zijn zoveelste filtersigaret aansteekt. “Maar mijn boek is geen politiek statement. Het is een liefdesverhaal en een verhaal over een jongetje dat opgroeit tijdens het politieke proces dat ten onrechte Revolutie wordt genoemd. Ik was naïef. Zoals de meeste Cubanen. Zij weten niet wat buiten de grenzen algemeen bekend is. Bijvoorbeeld dat er in Cuba 200.000 gevangenen zijn, de meesten van hen om politieke redenen. En ze zijn naïef omdat ze nog steeds geloven dat de Verenigde Staten een invasie in hun land voorbereiden en zij zich moeten voorbereiden op die oorlog.

“Een Cubaanse perestrojka is nu ondenkbaar. In de Sovjet-Unie kwam de perestrojka van boven, van de leiding. Maar wat Gorbatsjov deed, zal Castro nooit doen. Die heeft meer ervaring dan Gorbatsjov destijds. Die wilde het communisme behouden, maar het een menselijk gezicht geven in de hoop dat de technologische en economische achterstand op het Westen niet nog groter zou worden. Dat werkte niet. Want hij kon niet voorzien dat het volk het communisme zou afschudden, zodra de mensen hoorden hoe ze in naam van het communisme waren belogen en misbruikt.

“Zover heeft Castro het nooit laten komen. Zodra de eerste artikelen over de perestrojka in Cuba verschenen, draaide hij de paar aarzelende experimenten die er waren geweest terug en verbood hij om er nog een woord over te schrijven. En zolang hij de informatie kan controleren, zal hij aan de macht blijven.

“Buitenlanders raken nogal eens onder de indruk van onze gezondheidszorg en ons onderwijssysteem. Tot op zekere hoogte heeft dat Castro geholpen aan de macht te blijven. Toch geef ik de voorkeur aan de dure en slechte gezondheidszorg waar ze in Amerika tegenwoordig zo bezorgd over zijn. Laat mij maar lijden door slechte artsen. Het ziekenhuis mag dan gratis zijn in Cuba, voor het systeem dat dat mogelijk maakt betaal je wel met het verlies van al je rechten: je kan niet reizen, je mag niet zeggen wat je denkt, je mag je vrienden niet kiezen. Je bent een slaaf.”

'In de unipolaire wereld die is ontstaan door het verdwijnen van de Sovjet-Unie zal niets de Verenigde Staten ervan kunnen weerhouden Cuba aan te vallen. Daarom geloven wij dat de vijand een verrassingsaanval op Cuba voorbereidt met de troepen en het materieel uit de Perzische Golf', zo besloot het rapport.

Ik las de tekst en realiseerde me dat ik die niet voor de verzamelde manschappen op het exercitieterrein kon voorlezen. Ik ging terug naar het hoofd van de inlichtingendienst en vroeg hem de tekst zelf te lezen. Er kwam een uitdrukking van verrassing en twijfel in de ogen van de politiek commissaris. (pag. 257)

“Ik geloof niet dat het Cubaanse leger een grote bron van onvrede is. De meeste militairen leven grotendeels afgesneden van het openbare leven - en hun gezin - op een basis, met veel werk en weinig afleiding. Het is hun verboden buitenlandse kranten te lezen of naar buitenlandse radiostations te luisteren. Mijn reis naar de Sovjet-Unie was een uitzondering.

“Natuurlijk, er waren en zijn dissidenten onder de militairen, van wie Arnaldo Ochoa en kolonel Alvaro Prendes de bekendste zijn. Ochoa was een van de jongste generaals en zeer invloedrijk, maar hij maakte de vergissing te denken dat hij onafhankelijk kon zijn en begon in het openbaar te praten over veranderingen.

“Ochoa was geen samenzweerder, maar Castro begreep dat hij vroeg of laat toch een gevaar zou worden en liet hem arresteren op de valse beschuldiging van drugshandel met de VS. Tevens besloot hij alle andere hoge militairen te compromitteren in het proces tegen Ochoa door ze met handopsteken te laten verklaren of zij voor diens executie waren. Zo beschermt Castro zich. Ochoa kreeg de kogel.

“Luchtmachtkolonel Alvaro Prendes - een held van de Revolutie die de Amerikaanse landing in de Varkensbaai in 1961 hielp mislukken, maar een tegenstander van het tot elke prijs handhaven van de communistische dogma's - werd gewaarschuwd dat hem iets soortgelijks als Ochoa stond te wachten. Hij zocht juist op tijd contact met de internationale pers. In een open brief aan buitenlandse correspondenten in Havana vroeg hij Castro om 'een nationale dialoog en een economische opening'. El Tigre is alles kwijtgeraakt: zijn baan, zijn huis, zijn auto, zijn pensioen. Hij leeft van de hulp van enkele vrienden, maar hij leeft.”

Ik werd diep getroffen door de liederen, dansen en gedichten, de meest authentieke die onze cultuur te bieden had. Hier, ver van Cuba, werd mij een onderdeel van mijn vaderland getoond dat op het eiland zelf verloren was gegaan in de afgrond van de Revolutie. (pag. 340)

“Europa vreest een culturele invasie van de VS. Frankrijk neemt maatregelen tegen Amerikaanse speelfilms. Toch geloof ik niet dat de Amerikanen iemand dwingen naar hun films te kijken. Mensen vinden het leuk om naar Amerikaanse films te kijken. Weet je waarom? Omdat ze beter zijn. Daar helpt maar één ding tegen: zelf betere films maken.

“Ik geloof niet dat de Verenigde Staten perfect zijn, maar men is er zonder twijfel vrij. Ik woon er, maar ik zal altijd een Cubaan blijven. Ik ben trots op mijn cultuur. Angst voor een andere cultuur duidt op gebrek aan zelfrespect.”

Op het menu stonden gerechten die net zo buitenissig als smerig waren, alles om maar niet te hoeven bezwijken voor het Noordamerikaanse embargo. Zo hadden we bijvoorbeeld de beroemde, onverteerbare grapefruitschil-steak. (pag. 247)

“Ik zou de opheffing van het handelsembargo tegen Cuba steunen als de Cubanen daarmee zelf een einde zouden kunnen maken aan hun economische crisis. Ik ben vóór handel met Cuba - met Cuba, maar niet met Castro. In Cuba is het 365 dagen per jaar zomer, maar verse groente kun je er niet kopen. Zet een stok in de grond en er komen bladeren aan. In Cuba kun je twee of drie keer per jaar oogsten, maar er is geen eten.

“Is het Amerikaanse embargo de reden? Nee, het is het embargo van de Cubaanse regering tegen het Cubaanse volk. Boeren mogen hun eigen produkten niet vrij verkopen, maar alleen aan de regering. Die betaalt heel weinig. Een boer verdient ongeveer 200 pesos per maand, zo'n tweeënhalve dollar. Dat is geen aanmoediging om hard te werken. En als ze niet aan de staat verkopen is dat officieel een misdaad waar celstraf op staat. Als Castro echt van zijn volk zou houden, zou hij de markt vrij maken. Dan zou het land binnen korte tijd overstroomd worden met verse groenten, melk en vlees.

“Castro kan niet toestaan dat de Cubanen werken. Want de boeren zullen produceren, er zal vervoerd en gehandeld en geconsumeerd worden dat het een lieve lust is. Maar al die nieuwe banen zijn niet van de regering afhankelijk. Die mensen hebben wel wat anders te doen dan vrijwilligerswerk voor de Revolutie of Castro toejuichen. Werken! Als het opheffen van het embargo dat kan bereiken, ben ik er voor.

“Maar het zal niet gebeuren. Als het onvoorwaardelijk wordt opgeheven, komt de hele wereld in Cuba investeren, vanwege de goedkope lonen, maar de beheerder van al dat geld zou Fidel Castro blijven. Alle geldstromen lopen via hem. En dat zal hij niet gebruiken voor zijn land, maar, net als vroeger, om zijn invloed buiten de grenzen te vergroten. Waar zijn de miljarden die Cuba elk jaar van de Sovjet-Unie kreeg? Guerrillabewegingen in Angola en Latijns Amerika kregen steun van Cuba, maar in Havana is nauwelijks een gebouw te vinden dat na 1959 is gebouwd. Als hij de Cubanen vrij zou laten, zou zijn macht instorten. Daarom móet hij ze wel honger laten lijden.

“Sommige mensen, onder wie veel Cubaanse ballingen in de VS, geloven helaas dat het embargo de ontevredenheid onder de bevolking zal aanwakkeren, zodat die uiteindelijk in opstand komt en Castro afzet. Dat is verkeerd gedacht. Castro gebruikt dat idee om het beeld van de vijand intact te houden. Ik weiger anderen de schuld te geven voor onze problemen - de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten, of wie dan ook. Het is allemaal onze eigen schuld en we moeten het zelf oplossen. Het enige dat we nodig hebben is een systeem dat ons in staat stelt te werken. Daar moeten we voor vechten.

“Hoe? Dat is de vraag. Jammer genoeg is Castro erg gezond. Maar hij hoeft niet vermoord te worden, zoals veel ballingen willen. Daarmee zijn degenen die onder Castro's bewind zijn gedood niet mee tot leven te wekken. De meeste Cubanen zouden het prima vinden als we hem het mooiste huis van Cuba zouden geven, een jaarsalaris van een miljoen dollar en zouden zeggen: Just sit down and relax, maar laat ons onze gang gaan.”

Ik kuste haar betraande wang en fluisterde in haar oor, voor het geval er verborgen microfoons in de flat waren: “Het komt niet door jou, Vicky, en ik geef je nergens de schuld van. Maar ik kan er niet meer tegen. Ik ga liever dood dan dat ik blijf zwijgen. Ik wil niet dat onze kinderen nog langer geïndoctrineerd worden, dat ze gedwongen worden te leven zonder God, dat hun wordt aangepraat dat loyaliteit aan hun leiders het allerbelangrijkste is.”

“Ga dan, ga dan weg,” fluisterde ze ten slotte. Ze klemde haar tanden opeen en klauwde haar vingers in mijn schouders.

“Wat bedoel je, ga weg?”

“Ontsnap in een vliegtuig. Dat heb ik liever dan dat je iets ergs doet.”

“Ik ga nog liever dood dan jou te verlaten.”

“Maar we willen niet dat je doodgaat.” (pag. 246)

“Mijn belangrijkste boodschap aan de Cubanen is dat wij geen leiders moeten volgen. Wij moeten vechten voor een grondwet en een systeem dat ons vrijheid geeft, en wie de president is doet er niet toe. Want wie het ook is, hij is gehoorzaamheid aan die wetten verschuldigd. No more caudillos.

“De autoriteiten in Cuba zeggen dat ik een verrader ben, maar dat is niet waar. Ik heb geen geheimen. Zij wel. Zij zijn de verraders. Zo, dus jij hebt het hier gemaakt, zeggen de mensen in Amerika. Maar met geld kun je in het leven alleen de goedkoopste dingen kopen. Niet de liefde van je vrouw, of het geluk van je gezin of de trouw van je vrienden. Die heb ik óók allemaal, maar niet dank zij mijn geld. Ik mag morgen mijn hele bezit verliezen en dakloos worden, en nòg zal het mij veel beter gaan dan in Cuba.

“Ik ben vrij geworden toen ik zelf leerde denken. Tot dat ogenblik was ik een slaaf, al wist ik het niet. Daarom was ik ook niet ongelukkig. Pas toen ik begon te begrijpen dat ik mijn eigen ideeën niet kon uitdrukken en toepassen werd ik zo ondraaglijk bedroefd. Ben ik een piloot, een militair, een schrijver, een balling? Allereerst ben ik een mens die geleerd heeft zich uit te drukken.

“Wat ik bezit is van het hele gezin. Daar ben ik trots op. Vraag me niet hoevel geld er op de bank staat, want ik weet het niet. Vicky wel. En toch benauwt dat me: stel dat ze mij morgen zou willen verlaten, dan kan dat niet, omdat ze van mij afhankelijk is. Daarom wil ik dat ze nu haar Amerikaanse tandartsexamens haalt en Engels leert, zodat ze kan zeggen: 'Orestes, that's it! Ik houd niet meer van je en ik verlaat je'.

“En als ze dat niet doet, vermoord ik haar. Nee hoor, dat is een grapje.”

    • Hans Steketee