Nietzsche was geen pleitbezorger van het christendom

In reactie op het onlangs verschenen rapport 'Secularisatie in Nederland 1966-1991' roept docent wijsbegeerte A. van den Beld Nietzsche als zegsman aan, en laat hem, hand in hand met onze minister van justitie, pleiten voor een soort herbezinning op christelijke waarden als grondslag van de moraal (NRC Handelsblad, 7 maart).

Er is zelfs regelrecht sprake van de “kenmerken van God die volgens Nietzsche zo wezenlijk zouden bijdragen aan de waarde van leven en wereld” en van de erkenning door Nietzsche “dat het leven van de gelovende mens, indien God bestaat, door dit geloof uitermate wordt verrijkt”. Nu is Nietzsche wel vaker voor merkwaardige karretjes gespannen, maar hoe Van den Beld hier met uit hun verband gerukte citaten en gedachtengangen omspringt, is wel heel opmerkelijk. We zien de grote bestrijder van christendom en christelijke moraal getransformeerd tot een 'atheïstische', pleitbezorger ervan, een soort negentiende-eeuwse Bolkestein. Vergeten lijken even zijn scherpzinnige analyses van, en verontwaardigde tirades tégen, de christelijke religie als uiting van ressentiment en rancune, haar prediking van kwellend zelfonderzoek en van een fundamentele schuld die nooit geheel te delgen valt, haar verdachtmaking van de menselijke aandriften, haar beurtelings opzwepende en narcotiserende werking, kortom: haar 'decadente' ondermijning van wat Nietzsche als de krachten van het leven ziet.

Bij zo iemand argumenten te zoeken voor een herstel van de christelijke moraal moet voor een sympathisant van die moraal een hele uitdaging zijn. Wie Nietzsches werk een beetje kent, weet dat dat nooit lukken zal. Maar Van den Beld pleegt tekstueel geweld, en wel op een door hemzelf precies aangeduide plaats: Menschliches, Allzumenschliches boek I, hoofdstuk 3, paragraaf 109. “Hoe graag”, zo schrijft Nietzsche daar, “zou men de onware beweringen van de priesters, als zou er een God zijn die het goede van ons zou verlangen, die bewaker en getuige van elke handeling, elk ogenblik, elke gedachte zou zijn, ons zou liefhebben, bij alle narigheid het beste met ons voor zou hebben - hoe graag zou men zulke beweringen inruilen tegen waarheden die even heilzaam, rustgevend en weldadig zouden wezen als de genoemde dwalingen!” Hij vervolgt dan met te zeggen dat zulke waarheden er domweg niet zijn en dat de filosofie er hooguit opnieuw metafysische bedenksels tegenover kan stellen die even onwaar zijn.

Vervolgens schetst hij de tragische situatie die ontstaat doordat we enerzijds niet in die dogma's van religie en metafysica kunnen geloven wanneer we “de strenge methode van de waarheid in hart en hoofd dragen”, maar dat we anderzijds door de ontwikkelingsgang van de mensheid zo teerhartig en kwetsbaar zijn geworden dat we zulke middelen tot heil en troost eigenlijk hard nodig hebben. Uit die situatie ontstaat het gevaar dat we ons aan de waarheid verwonden en eraan doodbloeden. Nietzsche citeert daarop enkele regels van Byron over de pijn van hen die te veel weten (the tree of knowledge is not that of life) en stelt tegenover die melancholieke zorgelijkheid de lichtzinnigheid van Horatius. En dan volgt de passage die Van den Belds parmantig beroep op Nietzsche pas goed in het juiste licht stelt: “Maar zeker is elk soort lichtzinnigheid of zwaarmoedigheid beter dan een romantische terugkeer en vaandelvlucht, een toenadering tot het christendom in welke vorm dan ook, want met dat christendom kan men zich naar de tegenwoordige stand van kennis en inzicht eenvoudigweg niet meer inlaten, zonder zijn intellectueel geweten heilloos te besmeuren en ten overstaan van zichzelf en anderen prijs te geven.”

De Nietzsche die dit schrijft tot medestander te proclameren bij een poging om naar de waarden van de christelijke moraal terug te keren en hem van alles in de mond te leggen over de verrijking van de mens door het geloof en zelfs over de zo waardevolle 'kenmerken van God': je moet maar durven. De clou van de paragraaf is toch wel overduidelijk dat zo'n terugkeer volstrekt uitgesloten is voor wie er een intellectueel geweten op nahoudt. Van de eindeloos afstandelijke toon die Nietzsche hier tegenover het christendom aanslaat, de ironie van zijn conjunctieven, zijn sterk ambivalente nostalgie naar de rustgevende dwalingen van weleer, vermengd als ze is met een ingehouden sarcasme jegens die oude priesterlijke onwaarheden, van dat alles blijft in Van den Belds parafrase niets over. In plaats daarvan vernauwt Van den Beld Nietzsches blikveld tot een ferme, positieve stellingname: “Nietzsche hield het christelijk geloof zonder reserve voor 'heilsam, beruhigend en wohltuend', kwaliteiten die het atheïsme volgens hem mist.” De lezer kent nu de tekst waarvan dit een interpretatie moet voorstellen en oordele zelf over het waarheidsgehalte van die interpretatie.

Nietzsche analyseert in deze paragraaf in subtiele bondigheid een probleem: dat van de secularisatie en het lijden dat deze met zich brengt. De wijze waarop hij dat doet zou een mooi uitgangspunt kunnen zijn voor een werkelijk debat over dat probleem, bijvoorbeeld over de vraag of het waar is wat filosofen als Richard Rorty en Jean-François Lyotard beweren: dat er in de hedendaagse westerse wereld van een nostalgie naar de verloren waarden in feite geen sprake meer is. Geldt dat, om maar iets te noemen, enkel voor intellectuelen of misschien voor de moderne urbane cultuur in het algemeen, gezien de 7 1/2 procent CDA-stemmers in een stad als Amsterdam? Ook zou je de tekst uit 'Menschliches, Allzumenschliches' kunnen vergelijken met andere, latere analyses van godsdienst en moraal, uit de tijd dat Nietzsche minder dan in dit vroege werk ophad met 'de strenge methode van de waarheid' en het geloof in zo'n waarheid als nazaat van het christendom beschouwde. Maar tot een open benadering van de vele problemen die hier liggen, komt het bij Van den Beld niet. Daarvoor lijkt hij te zeer geïnteresseerd in een vlotte oplossing ervan, een oplossing die hij in één moeite door afleidt uit zijn eendimensionale uitleg van de beginzinnen van de paragraaf. 'Terugkeer naar christelijke waarden' is de leus, precies die weg-terug die Nietzsche zo honend te kijk zet. Het ligt voor de hand om in de lijn van die hoon het intellectuele geweten achter Van den Belds Nietzsche-lectuur aan de orde te stellen. Dat lijkt na het bovenstaande welhaast overbodig. Laten we het er maar op houden dat een kat in seculiere nood rare sprongen doet. Hoe hoog die nood gestegen is, vermag ik niet te beoordelen. Maar met behulp van Nietzsche laat hij zich in elk geval niet lenigen.

    • Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam
    • M. van Nierop