NELLIE COOMAN

De Volkskrant van maandagochtend. Ik lees het artikel waar deze week iedereen over schrijft, met een licht verdoofd gevoel. Het verhaal van Bolkestein is zo ontzaglijk ver van wat er werkelijk in de wereld aan de hand is en zo ontzaglijk ver van wat ik verstandig vind, dat ik word afgeleid door de kleine foto ernaast, van een winnende Nelli Cooman. Pagina 22, staat er onder, daar wordt meer gezegd over het EK-indoor in Parijs. Hier is een veel grotere foto afgedrukt. Hij is schitterend. Je kunt er een uur naar kijken, en je gedachten laten dwalen. Er staan vier mensen op, twee vaag op de achtergrond en twee scherp en duidelijk op de voorgrond. “De beste sprinters in Bercy”, zegt het onderschrift, “de Brit Colin Jackson en Nelli Cooman feliciteren elkaar met hun titels.”

Ze kijken elkaar in de ogen, dromerig bijna, met de mond ietsje open, alsof ze elkaar zo meteen een hartstochtelijke kus zullen geven. De twee mooiste mensen van de wereld. Allebei zwart.

Achter hen, ter hoogte van Nellie's voorhoofd, staat een fotograaf met een enorme flitser voor zijn gezicht. En rechts van hem, in het uiterste hoekje van de foto, staat een blanke man met een bril op, in de richting van Jackson te kijken. Jackson is groot gebouwd, hij is bijna een hoofd groter dan Nellie, maar de blanke man is groter dan Jackson. Het is niet duidelijk welke uitdrukking hij heeft: hij glimlacht niet, zijn lippen heeft hij stijf op elkaar geperst. Het zal wel mijn verbeelding zijn, maar het is alsof hij afgunstig kijkt. Alsof hij die mooie Nellie in zijn armen zou willen hebben.

Ik deel zijn afgunst. Ik heb wel meer foto's gezien van Nellie Cooman, maar zo'n prachtige zwart-wit opname van een bijna edel hoofd, met de kleine kroese krulletjes langs de slaap, de stevige kin en de parelende tanden - zo bekoorlijk heb ik haar nog nooit gevonden. En nu ik goed kijk zijn haar ogen helemaal niet dromerig. Ze zijn eerder verlangend. Verlangend, of het tegendeel ervan: bevredigd. Verzadigd. Voldaan. Intens tevreden, en daardoor kwetsbaar. Ze ziet er in de armen van Jackson zo weerloos uit dat ik me niet kan indenken dat ze net 'als een vulkaan uit de blokken is geschoten', zoals het artikel vermeldt. Jackson ziet er juist niet zwakjes uit. Zijn masculiniteit straalt van hem af. Hij heeft een nek van staal, een marmeren schouder en een royale, maar niet overdadige borstkas. Een zwarte God.

Twee gekleurde mensen in Parijs. Zo geslaagd, zo triomfantelijk, zo sensueel, zo van deze wereld. En toch ook weer niet. Ze horen hier, absoluut, hier zijn ze op hun plaats, hier zijn ze in hun element, het is hùn habitat, de natuurlijke omgeving van mensen die onverslaanbaar zijn. Ze verdienen het te worden omringd door fotografen en mensen die hen licht-afgunstig gadeslaan. Daarom zijn ze zo op hun plaats en op hun gemak, alsof ze daar alleen maar voor zichzelf zijn. Ze gaan zo in elkaar op, dat het een gevoel van gêne geeft hen op dit intieme moment te bespieden.

Maar het is geen intiem moment. Ze zijn openbare helden van twee trotse naties: Engeland en Nederland. Nellie Cooman draagt een oranje haarband, staat er in het begeleidende verhaal, en ze heeft haar nagels geverfd in de nationale kleuren: rood, wit en blauw. “Het gigantische sportpaleis met zijn tienduizend toeschouwers ging geheel overstag voor de Nederlandse wervelwind”, zegt de schrijver met onverhuld chauvinisme.

Nogmaals, ik twijfel er niet aan dat Nellie Cooman hier hoort. Bij ons. Bij de rijke West-Europese natie die Nederland heet. Desondanks: iets in die beslotenheid van die foto en in de innigheid van die omhelzing sluit die blanke meneer met de bril uit. Hij hoort daar niet.

Ik weet dat dit een zinloze overpeinzing is die de wereld opdeelt in rassen en kleuren. Het zijn geen zwarten, het zijn atleten. Internationale kampioenen, mondiale overwinnaars. En toch zou ik ontzettend graag willen weten waar hun loyaliteit ligt. Niet de oppervlakkige, keurige, op papier vastgelegde, maar de diepe, innerlijke, instinctieve loyaliteit. Van wat voor mensen zouden ze het meeste houden, als ze er niet bij mochten nadenken en als ze alleen mochten afgaan op hun zinnelijke organen: van mensen zoals zij zelf, met dezelfde donkere huidkleur, lichaamsgeur, haar en bouw, of van de anderen.

Van wat voor mensen zou Bolkestein houden? Waar ligt zijn instinctieve, animale loyaliteit? Het is een domme vraag. Hij mag niet worden gesteld. Frits Bolkestein is een verstandelijke man die een probleem ziet en een rationele oplossing aandraagt. Ik zag hem 's avonds weer op televisie. Een koelbloedige man die zich aan het eind van het gesprek kwaad begon te maken om het gebrek aan redelijkheid. Waarom kon de interviewer zoiets simpels niet inzien: dat de wereld nu eenmaal bestaat uit regio's en dat onze toevallige verbondenheid daarmee zo zijn eigen eisen stelt?

Maar hoe meer hij hamerde op de redelijkheid, hoe duidelijker het werd wat hij bedoelde. Hier sprak een man vanuit zijn hart. Vanuit zijn genen en darmen, vanuit zijn instinct, vanuit zijn dierlijke drift. De spanning tussen de broeierige betekenis van de woorden en de ijskoude helderheid waarmee hij ze presenteerde gaf aan het schouwspel zijn drama. Iedereen die naar hem keek en naar hem luisterde wist wat er bedoeld werd. En daar ging het tenslotte om. In de rest van de week zouden er nuanceringen worden aangebracht en zou de harde boodschap worden verzacht, maar de waarheid was gezegd: mensen horen thuis in hun natuurlijke omgeving, zo ongeveer als planten.

Zo gezien is de overeenkomst tussen het verhaal van Bolkestein en de foto van Jackson en Cooman frappant. Bolkestein maakte een geheim gevoel openbaar. Jackson en Cooman maakten openbare gevoelens geheim. We hebben samen met ze gewonnen, Nellie Cooman heeft voor ons gewonnen, en haar triomf is de onze. Maar op die foto keert ze zich van ons af. Ze deelt haar triomf met een ander. Met een rasgenoot van een andere nationaliteit. Alsof het de triomf is van een ander soort mensen, haar soort mensen. Mensen van haar regio, van haar natuurlijke omgeving.

Zoals Jackson en Cooman iets publiekelijks persoonlijk maken, met een vanzelfsprekendheid waar niemand verbaasd van opkijkt (behalve misschien die blanke meneer met de bril in de rechter hoek van de foto), zo heeft Frits Bolkestein iets persoonlijks publiek gemaakt. En inderdaad: niemand was verbaasd. De algemene verontwaardiging ging over andere dingen. Over de vraag of het juridisch wel kon en of het moreel verantwoord was en of het politiek correct was en of het de problemen wel echt oploste. Maar niemand vond het vreemd dat hier een onberedeneerbaar gevoel, een instinctief sentiment, een niet onderzoekbaar en diep verborgen besef werd gepresenteerd alsof het voortkwam uit redelijke en verstandelijk berekening. Onze loyaliteit ligt in de eerste plaats bij ons soort mensen, suggereerde Bolkestein. Onze loyaliteit ligt voornamelijk bij ons soort mensen, suggereerden de zwarte atleten op de foto. Maar de foto wordt gered door de adembenemende schoonheid van Colin en Nellie. Bolkestein is reddeloos.