Nederlands bedrijf groeit zelden van gazelle tot tijger

Ook al bedragen de loonkosten in China maar vier gulden per dag tegen driehonderd gulden in Nederland, toch zijn er Nederlandse bedrijven die de concurrentieslag met de Chinezen aankunnen. Atag-dochter Batavus bij voorbeeld. Deze fietsenfabrikant uit Heerenveen laat zijn fietsen niet assembleren in China, maar in Nederland. Het is een zogenaamd kop-staart bedrijf. Dat wil zeggen: het ontwerp (de kop) en de assemblage (de staart van het produktieproces) vinden hier plaats.

De benodigde onderdelen (de romp) worden zo goedkoop mogelijk van elders betrokken. Logisch. Van de totale kosten van een doorsnee Batavusfiets nemen de assemblagekosten vijf à tien procent, de materiaalkosten zestig- en de loonkosten twintig procent voor hun rekening. “Als wij 1 procent besparen op de inkoopkosten,” zegt voorzitter van de directieraad van Atag Hans Manschot, “dan levert dat meer op dan 5 procent verlaging van de lonen.” Als er nou maar scherp wordt ingekocht, dan zijn Batavusfietsen niet duurder dan vergelijkbare kwaliteitsfietsen uit China of Taiwan.

Dat Batavus zijn fietsen in Nederland assembleert heeft nog een andere reden. De consument kan kiezen uit vele varianten en Batavus zet de gewenste fiets in een half uur volgens de opgegeven specificatie in elkaar. De assemblage moet dus zo dicht mogelijk bij de consument plaatsvinden. Voor de werkgelegenheid is dit kop-staart procédé uitermate gunstig. Van de 1600 werknemers die Atag in Nederland heeft werkt 40 procent in de assemblage.

De zaken staan er echter niet zo rooskleurig voor als uit het verhaal van Atag blijkt. Atag (inbouwkeukenapparatuur, fietsen, verwarming, sanitair) is een uitzondering, die bewijst dat de mogelijkheden er wel zijn voor Nederlandse bedrijven. Jammer genoeg worden ze echter nog door onvoldoende ondernemingslustige Nederlanders aangegrepen. Nederland kent het geringste aantal ondernemingen per duizend inwoners, namelijk 28 tegen gemiddeld 45 in de Europese Unie.

Nederland lijkt bezig om de achterstand in te lopen, want het groeicijfer van het aantal starters ligt momenteel hoger dan het EU-gemiddelde. Maar daar past wel een levensgroot vraagteken bij. Het gaat hier voornamelijk om hele kleine bedrijven: shoarmazaken, kledingwinkels, café's. En onder die papa-mama-shops bevinden zich maar heel weinig echte doorgroeiers. Dat wil zeggen: bedrijven die de barière van honderd werknemers doorbreken. Van alle startende ondernemingen, zo blijkt uit onderzoek van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), is 40 procent binnen 4,5 jaar weer verdwenen en telt 20 procent op dat moment niet meer dan 1 werkzame persoon. Van de overige 40 procent blijft het merendeel klein. Minder dan 1 procent van de startende ondernemingen groeit echt door (zie grafiek).

Nederland heeft veel te weinig snelgroeiende ondernemingen met minder dan honderd werknemers (de zogenaamde Gazelles). Dat is niet onbelangrijk, want uit Amerikaans onderzoek blijkt dat deze Gazelles aldaar 70 procent van de nieuwe banen creëren. Omdat er zo weinig Gazelles zijn, zijn er ook weinig tijgers als Atag en Nedap (krachtig doorgroeiende ondernemingen met meer dan honderd werknemers). En om een beetje mee te kunnen in de Europese concurrentieslag moet je al gauw een omvang van 500 werknemers hebben, zo blijkt uit onderzoek.

Nederland heeft te weinig bedrijven met grote ambities. Te weinig ondernemers en aspirant-ondernemers zijn bereid zich het vuur uit de sloffen te lopen om nieuwe produkten te bedenken, markten te openen, vaak in het buitenland te vertoeven, de bescherming van de familievennootschap op te geven en externe aandeelhouders binnen te halen. Allemaal zaken die te maken hebben met ondernemingszin. Een animal spirit die ook volgens Nederlandse participatiemaatschappijen die gazelles en tijgers van (start)kapitaal voorzien tamelijk onderontwikkeld is.

“Ik ontwaar te weinig ondernemingslust,” zegt directeur Paul Schröder van Intercapital Investments in Hoofddorp. “Wij krijgen nauwelijks nog starters binnen,” zegt ook directeur Ellard Blaauboer van NeSBIC Groep te Utrecht. “Dat is een schrijnend verschil met tien jaar geleden. Maar wat wil je. De startdrempel is ten opzichte van tien jaar geleden een stuk hoger komen te liggen. Zo is bij voorbeeld de investerings-stimuleringsregeling, Instir, opgeheven. De overheid kan wel zeggen: laissez faire, maar dan moet ze dat beginsel consequent toepassen. Dan moet die overheid er ook voor zorgen dat bedrijven makkelijker van hun personeel afkunnen en dat het minimumloon omlaag gaat. Moet je eens zien hoeveel werkgelegenheid er dan ontstaat!”

Twee-derde van de door het Verbond van Nederlandse Ondernemingen geënquêteerde “doorgroeiers” noemt inderdaad het gebrek aan flexibele arbeidscontracten en de hoogte van de loonkosten als knelpunten voor meer groei.

    • Frank van Empel