Meer dan krassen op een rots

J. van Goor: De Nederlandse koloniën; geschiedenis van de Nederlandse expansie 400 blz., geïll., Sdu 1994, ƒ 69,90

Kloeke historische standaardwerken, worden ze nog geschreven? Of liever gezegd: worden ze nog wel eens door één persoon geschreven? De Utrechtse historicus Jur van Goor, schreef een boek dat een goede kans maakt om een generatie lang het overzichtswerk over onze koloniale geschiedenis te blijven. De Nederlandse Koloniën, dat afgelopen donderdag werd gepresenteerd, is in feite de eerste grote synthese na de driedelige Koloniale geschiedenis van H.T. Colenbrander uit 1925.

Van Goor (1939), universitair hoofddocent bij de vakgroep Geschiedenis van de Universiteit van Utrecht, studeerde in Groningen, promoveerde op Jan Kompenie as Schoolmaster over Nederlands onderwijs op Ceylon in de 18de eeuw en publiceerde vele artikelen over Nederlands-Indië. Zijn boek beschrijft een lange periode, vanaf de tijd dat de eerste Nederlandse schepen onwennig de Indonesische Archipel verkenden, tot de onafhankelijkheid van Suriname. Alle plekken waar de Nederlanders korte of langere tijd een vestiging hebben gehad komen aan bod, zowel de Aziatische posten als Zuid- en West-Afrika, Brazilië en Nieuw Nederland, de huidige staat New York.

“Ik vond dat dit boek er moest komen”, zegt Van Goor, “en ik vond dat ik het alleen moest schrijven. Er bestaan natuurlijk deelstudies en er zijn bundels met artikelen van verschillende auteurs, maar daar vallen altijd gaten in. Als je zoiets alleen doet kan je het kolonialisme in zijn geheel beschrijven. Je kan eenheid in de materie aanbrengen en accenten aanbrengen. Door interdisciplinaire samenwerking van sociologen, antropologen en historici is inmiddels een consensus ontstaan hoe je dit soort geschiedschrijving moet aanpakken. Bovendien is er nu, bijna vijftig jaar na de onafhankelijkheid van Indonesië, een afstand ontstaan die een evenwichtige beoordeling mogelijk maakt.

“Ik ben er al vanaf mijn studententijd in de jaren zestig mee bezig. Toen was ik een eenling. Na de onafhankelijkheid van Indonesië was het onderwerp taboe, men had er een schuldgevoel over, men vond het niet zinvol, er bestond nauwelijks een leerstoel voor koloniale geschiedenis. In de jaren zeventig veranderde het klimaat. De oprichting van de Werkgroep voor de Geschiedenis van de Europese Expansie in Leiden heeft een enorme stimulans gegeven. Maar je was òf een Compagniehistoricus die ophield bij 1796, òf je hield je bezig met Nederlandse-Indië vanaf 1816. Een van de doelstellingen van mijn boek is geweest om de continuïteit te benadrukken. Ik wilde laten zien hoe de koloniale staat in het verlengde lag van de het bewind van de VOC. Je kan zeggen dat de VOC een goed opererende, stabiele handelsonderneming is geweest. In de wijze waarop ze informatie verzamelden en waarop ze alles controleerden, hoe ze de Europese markt bespeelden, hoe ze voortdurend probeerden de zaak te verbeteren en zich aanpasten aan de lokale omstandigheden. Dat vind ik modern. Het beeld dat de zaak in de achttiende eeuw uit elkaar valt is onjuist. Er zijn fluctuaties, maar de winstgevendheid blijft bestaan. Dat het na 1780 minder goed ging komt door structurele oorzaken, door politieke veranderingen, verschuivingen in de internationale markt, de concurrentie van de Engelsen.”

Klachtrecht

'Het curieuze is dat de Nederlanders misschien geen echte kolonialisten waren, ze worden wel omschreven als reluctant colonists, kolonialen tegen wil en dank, maar ze traden wel op als landsheer, als souverein, waardoor ze een continu element vestigden. De VOC beschikte, vooral in de archipel, over een aantal kolonies, een lappendeken van rechten, contracten, bezittingen en gebieden die ze in leen heeft. Op Java hebben ze Batavia en omgeving, ze zijn opperheren van de beide grote vorstendommen op Midden-Java, ze bezitten Banda en Ambon, ze hebben contracten op Sumatra. Dat alles vormde een soort pre-koloniale staat met een half miljoen Aziaten onder Nederlands bestuur. Dat mag je voor een handelsonderneming uniek noemen. Na 1816, wanneer de Engelsen de Oostindische gebieden aan de nieuwe staat der Nederlanden hebben teruggegeven, ontstaat een soort 'staatskolonialisme', maar men beroept zich wel op de oude contracten die de VOC met de inlandse vorsten had gesloten.

“Ik zie ook een continuïteit in de Nederlandse stemmen die opgingen tegen knevelarij door inlandse vorsten. Er werd zelfs een klachtrecht ingesteld. Multatuli was geen uitzondering, hij stond in een traditie. Dat gaf ook grond aan een morele rechtvaardiging voor gebiedsuitbreiding. In de 19de en 20ste eeuw nam dat toe. Men dacht er meer over na, men was immers ambtenaar. De Nederlanders vonden ook dat ze nodig waren, omdat ze het zo goed konden. Later kwam daar het idee van het voogdijschap bij en de vraag in de jaren dertig wanneer de tijd rijp zou zijn om dat voogdijschap op te geven.” Volgens Van Goor waren de Nederlanders daar in 1949 zelf nog lang niet aan toe.

Behalve de continuïteit is de wisselwerking tussen Aziaten en Europeanen een rode draad in het boek. Voor de Tweede Wereldoorlog lag het accent van de koloniale geschiedschrijving op de Nederlanders. Veel studies in de jaren zestig, sterk sociologisch en antropologisch van aard, legden zich daarentegen in hun antikoloniale houding toe op de Aziatische kant en op kleine gebieden. De conclusie was dat maar een beperkt aantal Nederlanders aanwezig waren geweest en dat zij niet meer hebben achtergelaten dan krassen op een rots. Dat mag waar zijn op lokaal niveau, maar men zag toch voorbij aan de koloniale organisatie als geheel, aan het enorme netwerk waar die ene handelspost deel van uitmaakte.

Van Goor wil beide benaderingen verenigen. De Nederlandse expansie, de vorm van het kolonialisme werd bepaald door de wisselwerking van twee elementen: de Nederlandse aanwezigheid en de lokale omgeving. In alle regio's pakte dat weer anders uit. Door goed te kijken naar die wisselwerking kan men volgens Van Goor beter begrijpen waarom er in de Indonesische Archipel wel territoriale expansie heeft plaatsgehad, en in Japan of China niet en waarom het in de West nooit echt goed is gegaan, kortom waarom er zo'n grote diversiteit in die koloniale aanwezigheid heeft bestaan.

Arbeidsrecrutering

Een concreet punt om die wisselwerking te bestuderen is de arbeidsrecrutering. Van Goor constateerde dat dit een van de problemen was waar de Nederlanders zowel in de Oost als in de West mee werden geconfronteerd. De Compagnie was uit op het verwerven van produkten. De manier waarop zij die verwierf werd bepaald door lokale tradities en door gebruiken van de Compagnie. In Ceylon maakte ze, om kaneel te verwerven, gebruik van het bestaande kastenstelsel. Op Java introduceerden de Nederlanders de koffiecultuur waarbij ze zich bedienden van de bestaande arbeidsstructuur. Maar bijna overal deden de Nederlanders een beroep op slaven. Batavia bijvoorbeeld werd gebouwd door slaven en Chinezen.

De contacten tussen Europeanen en Aziaten verliepen op verschillende niveaus. Ook daaraan besteedt Van Goor ruime aandacht. Men had contact met vorsten omdat daarmee nu eenmaal contracten werden gesloten. Op een lager niveau, vooral in India, had men contact met handelaren, elders met tussenpersonen zoals de Chinezen. De duizenden Europese soldaten, het laagste niveau, gelegerd in hun geestdodende garnizoenen, kwamen nauwelijks in contact met de inheemse bevolking; hooguit bezochten ze wel eens een araktentje.

Uit de contacten met die vorsten valt het belang te begrijpen dat de VOC voor Azië had. Ook dat is volgens Van Goor te lang onderbelicht geweest. De inlandse vorsten hadden belang bij de Nederlanders. De Compagnie bracht geld binnen, in Japan evengoed als in India. De sultan van Bantam streek in de achttiende eeuw miljoenen op voor geleverde peper. Datzelfde gold voor de sultan van Palembang. De Compagnie verschafte ook protectie. Die sultans konden in geval van oorlog een beroep doen op de Compagnie. Een politiek verdrag met zo'n machtsfactor als de VOC was vaak al voldoende om te voorkomen dat hun positie alleen maar werd bedreigd. Deze politiek-economische allianties geven een verklaring voor het gemak waarmee de Compagnie zich twee eeuwen lang heeft kunnen handhaven. De grondslag van de moderne koloniale staat, zo luidt de conclusie van dit boek dan ook, ligt in de zeventiende eeuw.

    • Roelof van Gelder