Marsinah, martelares van de arbeiders op Oost-Java

In mei 1993 werd de Indonesische arbeidster Marsinah vermoord, even nadat ze leiding had gegeven aan een (mislukte) staking voor loonsverhoging. Deze maand begon het proces tegen een groep verdachten uit het bedrijf van Marsinah. Waarnemers bij het proces hebben echter de indruk dat er sprake is van een opzetje om de betrokkenheid van enkele militairen te verdoezelen.

SURABAYA, 19 MAART. Nu het eindelijk tot een rechtszaak komt, gelooft niemand in Indonesië meer dat het recht met deze zaak gediend is. Bijna een jaar na de gruwelijke moord op Marsinah, het meisje uit de horlogefabriek dat haar collega's opriep te staken voor het minimumloon, staan de eigenaar, de bedrijfsleiding en een aantal leden van de bewaking voor hun rechters. De gang van zaken bij de twee processen in Surabaya en Sidoarjo, op Oost-Java, maakt echter een dermate geënsceneerde indruk, dat het publiek begint te geloven in de onschuld van beklaagden.

Vorige week werd het eerste vonnis uitgesproken. Mutiari (26), de personeelschef van de horlogefabriek PT Catur Putra Surya (CPS) in Porong, een plaatsje onder de rook van Surabaya, werd door de arrondissementsrechtbank van het regentschap Sidoarjo tot zeven maanden veroordeeld wegens 'medeplichtigheid' aan de moord op Marsinah. De rechter achtte de tweede aanklacht van de officier, samenzwering tot moord, niet bewezen. Mutiari zou de vergadering waar de moord werd beraamd, hebben bijgewoond en daarover het stilzwijgen hebben bewaard.

Het probleem is nu dat beklaagde tijdens het proces haar bekentenis dat ze de bewuste vergadering had bijgewoond, heeft ingetrokken omdat die met geweld zou zijn afgedwongen door haar ondervragers. De rechter negeerde die intrekking, hield zich aan het proces-verbaal van de politie en velde zijn vonnis dus mogelijk op basis van onrechtmatig verkregen bewijs. Dat belooft weinig goeds voor de andere beklaagden, acht in totaal.

Marsinah, om wie het allemaal begonnen is, was op het tijdstip van haar gewelddadige dood 24 jaar oud en produktiemedewerkster bij de CPS-fabriek in Porong. Per 1 maart vorig jaar werd het provinciale minimumloon in Oost-Java verhoogd tot 2.250 rupiah (ruim twee gulden) per dag, maar in mei betaalde CPS zijn mensen nog steeds 1.700 rupiah. Op initiatief van Marsinah ging het CPS-personeel op 3 en 4 mei in staking en eiste het minimumloon. De actie mislukte en dertien stakers werden ontslagen. Enkele dagen later werd het levenloze en gruwelijk verminkte lichaam van Marsinah aangetroffen in een djatibos in het regentschap Nganjuk, enkele tientallen kilometers ten westen van Porong.

Ze werd naar het streekhospitaal gebracht, onderworpen aan een lijkschouwing en begraven. Na een paar dagen werd haar lichaam opgegraven en opnieuw onderzocht in een ziekenhuis in Surabaya. De doktoren constateerden moord. De politie stelde een onderzoek in, dat zich maandenlang voortsleepte. De sterke arm aarzelde tussen drie motieven: een geschil over een erfenis, een driehoeksverhouding en de staking bij CPS.

Terwijl de politie treuzelde - volgens een woordvoerder “omdat de militairen obstructie pleegden”, werd Marsinah door de ruime aandacht die kranten en weekbladen schonken aan haar mysterieuze dood een martelares en symbool van het ontwakende arbeidersverzet in Indonesië. Afgelopen zomer belandde de zaak-Marsinah zelfs op de agenda van de VN-Commmissie voor de Mensenrechten in Genève. Tegelijkertijd kreeg Indonesië een waarschuwing van de Verenigde Staten: het land moest vóór 1 maart 1994 zijn arbeidsverhoudingen democratiseren om nog langer in aanmerking te komen voor handelsvoordelen op de Amerikaanse markt.

Volgens een anonieme, kennelijk militaire bron van het weekblad Tempo, besloot de regering dat het nationale belang gediend was met voortgang in de zaak-Marsinah. In overleg met het landelijke politiehoofdkwartier werd een taakgroep geformeerd van de militaire inlichtingendiensten in Jakarta en Surabaya, die de plaatselijke politie het onderzoek uit handen nam.

Op 1 oktober 1993 liet de Intel-afdeling van het militaire commando Oost-Java - niet de politie - zonder arrestatiebevel negen personen oppakken. Onder hen was Yudi Susanto (45), de Chinese eigenaar van de twee CPS-fabrieken in Surabaya en Porong. De anderen waren de bedrijfsleider van CPS-Porong, de personeelschef, het hoofd van de bedrijfsbewaking, het hoofd van de produktieafdeling, een produktiemedewerker, twee bewakers en een chauffeur.

Nadat verdachten drie weken waren vastgehouden en verhoord door de militaire inlichtingendienst, droeg die het dossier over aan de politie. Pas toen werden arrestatiebevelen uitgeschreven. Volgens het proces-verbaal van de politie was eigenaar Yudi Susanto brein en opdrachtgever achter de moord op Marsinah. Op 5 mei, omstreeks vier uur in de middag, zou hij een vergadering hebben voorgezeten, waarbij alle negen verdachten aanwezig waren en de staking aan de orde kwam. Afgesproken werd Marsinah 'een lesje te geven'. Nadat mevrouw Mutiari was verzocht de kamer te verlaten, zou Susanto opdracht hebben gegeven Marsinah te vermoorden.

Een lid van de bedrijfsbewaking zou haar op de motor hebben ingehaald en hebben uitgenodigd om samen te gaan eten, waarop zij zou zijn ingegaan. Onderweg troffen zij de auto met de andere samenzweerders, waarin ook legerkapitein Kusaeri zat, die een lift naar huis kreeg. Hij zou de motor hebben geleend en zijns weegs zijn gegaan, terwijl de anderen de tegenspartelende Marsinah in de auto duwden, buiten gevecht stelden en naar het huis van Susanto in Surabaya brachten. Daar zou zij drie dagen zijn vastgehouden en op 8 mei 's avonds zijn doodgeslagen. Alle negen verdachten hadden dit proces-verbaal ondertekend en aldus bekend. De zaak leek rond, maar eenmaal voor de rechter vertoonde het draaiboek schoonheidsfoutjes.

Sinds begin maart staat de Chinese ondernemer Yudi Susanto onder grote publieke belangstelling terecht voor de arrondissementsrechtbank van Surabaya. Als de rechter beklaagde de mond snoert, juicht de zaal. Als Susanto's advocaat voet bij stuk houdt, gaat er een hoongelach op. Volgens een woordvoerder van het landelijke Instituut voor Rechtshulp (LBH), dat ter plekke een onderzoeksteam aan het werk zette, worden de supporters voor de officier opgetrommeld tegen betaling van dertigduizend rupiah (dertig gulden). De eerste twijfel bij de waarnemers rees tijdens de aarzelende en intern tegenstrijdige getuigenis van kapitein Kusaeri voor de rechtbank van Surabaya. Zijn verhaal week op verscheidene punten af van het proces-verbaal, waarop rechter Sarijanto hem telkens met suggestieve vragen - “was het niet zo dat...? - terugbracht naar de verbaaltekst. Uiteindelijk bevestigde hij dat hij op de motor was weggereden. De advocaat van één der beklaagden noemde het duet van rechter en getuige na de zitting een “ongeestige schertsvertoning”.

Het allergrootste probleem was dat de negen beklaagden tijdens de twee processen één voor één, zowel buiten als binnen de rechtszaal, hun bekentenissen introkken. Ze zouden getekend hebben na martelingen door hun ondervragers in het militaire hoofdkwartier. Eén van de twee leden van de bedrijfsbewaking zegt dat hij gedwongen werd urine te drinken. De tweede en zijn baas Susanto zelf zeggen dat hun geslachtsdelen onder stroom zijn gezet.

Advocaat Trimoelja D. Soerjadi, voorzitter van de advocatenvereniging te Surabaya, rapporteerde de martelingen aan de Nationale Commissie voor de Mensenrechten in Jakarta. De commissie, die vorig jaar is ingesteld door president Soeharto, zei de aanklacht serieuze aandacht te zullen schenken. Ze stuurde een brief aan de militaire commandant en het hoofd van de politie van Oost-Java, maar kreeg geen antwoord.

Volgens advocaat Trimoelja worden verdachten opgeofferd aan een bepaald scenario. Als er sprake is van een draaiboek, dan rammelt het aan alle kanten. Tenminste één getuige sprak het voor de rechters heilige proces-verbaal tegen. Volgens de vertegenwoordiger van de officiële vakcentrale bij CPS in Porong, liep hij op de bewuste vijfde mei 's middags het kantoor binnen van de bedrijfsleider, alwaar Mutiari de uitkeringen aan het berekenen was voor de ontslagen personeelsleden. Zij vroeg hem daarbij te helpen. Ergo: er was helemaal geen samenzweringsberaad. De meeste getuigen verklaren onder ede dat die wel heeft plaatsgehad, maar komen buiten de rechtszaal op hun verklaring terug.

Het onderzoeksteam van de LBH stelde vast dat de bewuste ontslagen na de staking zijn gevallen op aandringen van het militaire districtshoofdkwartier van Sidoarjo, buiten de wil van de eigenaar om. Marsinah zou daarop de bedrijfsleiding een brief hebben geschreven waarin ze dreigde de volgens haar wederrechtelijke ontslagen voor te leggen aan de officier van justitie. Op die bewuste vijfde mei zou ze 's avonds om acht uur een bezoek hebben gebracht aan het kantoor van de militaire districtscommandant om te kijken of haar ontslagen collega's daar werden vastgehouden. Een uur later was ze verdwenen. Voor het tijdstip waarop volgens het proces-verbaal de ontvoering van Marsinah plaatshad, zouden vier beklaagden een alibi hebben.

Theoretisch beschikken beide arrondissementsrechtbanken over voldoende getuigenissen om de aanklachten als bewezen te beschouwen. Maar prof. J.E. Sahetapy, docent strafprocesrecht aan de Airlangga Universiteit van Surabaya, vraagt zich af: “Kan de rechter, gezien de tegenstrijdige verklaringen binnen en buiten de rechtszaal zeggen dat hij de aanklacht bewezen acht op grond van zijn eigen overtuiging? De rechter is getroffen door santet rekayasa (letterlijk: de zwarte magie van een vooropgezet plan), en is te bang om de beklaagden in vrijheid te stellen. De verdachten gaan alleen vrijuit als de autoriteiten bereid zijn om in het openbaar voor schut gezet te worden of als een van de instanties de zondebok wil worden. Ik acht dit uitgesloten”.