Man, vrouw, universiteit

Het geslacht van de Wetenschap 596 blz., geïll., Sua 1994, ƒ 65,-

Op een pleintje voor een van de universiteitsgebouwen in Groningen staat een borstbeeld van Aletta Jacobs. Haar toelating tot de Groningse universiteit in 1872, persoonlijk mogelijk gemaakt door Thorbecke, en haar promotie in 1879 waren voor de vrouwenemancipatie in Nederland belangrijke momenten. Niemand die zozeer de combinatie van vrouw en universiteit symboliseert als Aletta Jacobs. Terecht dat men in Groningen een beetje trots op haar is en terecht dat het borstbeeld de toevallige passant voortdurend aan de feiten herinnert.

Maar van dat borstbeeld kan een verkeerde suggestie uitgaan. Aletta Jacobs was wel de eerste vrouw die een academische studie begon en afrondde, maar dat was nog niet bepaald een doorbraak in de verhoudingen tussen man en vrouw aan de universiteit. Haar toelating riep in de tijd zelf betrekkelijk weinig discussie op, zeker in vergelijking met wat er in het buitenland gebeurde. Geruisloos schoven de meisjes aan in de collegebanken die daarvóór geheel door jongens waren gevuld.

Pas een kwart eeuw later, tegen het eind van de eeuw, kwam de echte discussie op gang. In 1898 verkondigde de bekende hoogleraar en psychiater Cornelis Winkler in een openbaar debat dat vrouwen naar zijn stellige overtuiging niet deugden voor de studie, dat wil zeggen “de ernstige, wezenlijke, waarlijk niet amusante studie”. En in 1907 schetste de historicus Blok in het oud-liberale tijdschrift Onze eeuw zijn ervaringen met meisjesstudenten: “Hoe dikwijls heb ik niet op colleges tegenover meisjes gezeten, wier holle ogen en fletse gelaatskleur of wel koortsachtige blik en hoogroode tint mij deden zien dat zij op weg waren naar het sanatorium!”

Als onder-archivaris of onder-bibliothecaris waren zulke studentes later nog wel bruikbaar, maar voor het echte werk waren zij niet geschikt.

Op zichzelf was de toegang van vrouwen tot de universiteit dus geen punt van discussie. De werkelijke vraag was op welke manier vrouwen daar invulling aan moesten of mochten geven. Vrouwen hadden toegang tot de wetenschap, maar tot welke wetenschap precies? Deze voortdurend door mannen èn vrouwen besproken vragen hebben een rijke geschiedenis van de verhouding tussen de vrouw en de wetenschap opgeleverd. Die geschiedenis is al meermalen geschreven, maar moet met de wisseling van de inzichten op het terrein van feministische wetenschap ook voortdurend herschreven worden.

Machthebbers

De geschiedenis van de vrouw en de wetenschap werd kort na de oorlog al grondig gedocumenteerd door Marie van der Kolf, die in het rapport Zeventig jaar vrouwenstudie met behulp van veel statistieken uit de doeken deed wat vrouwen in die jaren al bereikt hadden. Het beeld dat Van der Kolf oproept is dat van vrouwelijke pioniers, wilskrachtige figuren die zich door geen tegenslag uit het veld laten slaan en steeds nieuwe gebieden openleggen. Dat die gebieden al bewoond werden door mannelijke wetenschapsbeoefenaren vermeldt zij niet of nauwelijks. Van dit optimistische beeld blijft in Het geslacht van de wetenschap, het proefschrift van Mineke Bosch, weinig heel. Bij haar zijn de eerste vrouwen geen pioniers in onbekend gebied, maar migranten die een ander land binnenkomen en daar voortdurend moeten onderhandelen over een nieuwe verdeling van de macht. De lokale machthebbers blijken op het oog heel welwillend, maar verzinnen steeds nieuwe middelen en argumenten om de gevestigde orde intact te laten. De nieuwkomers zelf zijn ook vaak onzeker en moeten zich bovendien de bemoeizucht van welwillende hulpverleners laten welgevallen, zodat de successen uiteindelijk beperkt blijven.

Op meer dan één manier wordt het optimistische beeld dat Zeventig jaar vrouwenstudie schetste ontmanteld. Eerst wordt een uiterst subtiele deconstructie van de tekst zelf uitgevoerd. Hoewel Van der Kolf zelfvertrouwen en optimisme wilde uitstralen, laat een precieze lezing van haar betoog allerlei inconsistenties en verdraaiingen zien waardoor het vermoeden rijst dat achter de positieve boodschap van het boek misschien wel een minder rooskleurige werkelijkheid schuil zou kunnen gaan. Verder wordt systematisch duidelijk gemaakt dat wat Van der Kolf als prestaties en overwinningen, behaalde resultaten, opvoerde, net zo goed of veel beter als halfmislukte carrières of nederlagen afgeschilderd kunnen worden. Johanna Westerdijk was weliswaar de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland (in 1917 in Utrecht benoemd voor de fytopathologie), maar zij was slechts buitengewoon hoogleraar, een hoogleraar met minder rechten, een geringer salaris en minder status dan een gewoon hoogleraar. Maar zij was dan nog hoogleraar, voor ettelijke vrouwen die het ook verdiend hadden, was het lectoraat het eindstation. Over de vele eeuwig tijdelijke hulpkrachten en privaatdocenten hebben we het dan nog helemaal niet gehad.

Maar belangrijker dan dit alles is de geheel andere benadering van Bosch in vergelijking met Van der Kolf; zij ontkracht niet alleen de conclusies die haar voorgangster trok, zij schrijft ook op een heel andere manier geschiedenis. Van der Kolf had het nog enkel en alleen over concrete vrouwen en hun sociale positie binnen de universiteit. Bosch kijkt nog verder en richt haar blik op voorstellingen van vrouwelijkheid en mannelijkheid die het gedrag van zowel vrouwen als mannen in de universiteit bepalen. Zij gaat in overeenstemming met de nu gangbare gender-benadering in de vrouwengeschiedenis niet zonder meer uit van het bestaan van concrete mannen en vrouwen, maar vraagt zich ook af hoe mensen in het verleden tot (primair) man of vrouw gemaakt zijn en hoe bepaalde activiteiten een mannelijk of vrouwelijk karakter toegeschreven kregen. Alleen zo wordt begrijpelijk waarom vrouwen die geen enkel formeel beletsel ontmoetten, geen werkelijke praktische belemmeringen hadden te overwinnen en zelfs konden rekenen op de steun van sommige gezaghebbende mannen, er toch niet in slaagden een even vanzelfsprekende positie binnen de wetenschap te bereiken als mannelijke collega's.

Pessimisme

Deze gender-benadering heeft een prachtig boek opgeleverd, dat zowel de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis als de vrouwengeschiedenis in Nederland op een hoger peil heeft gebracht. Na een inleidend deel waarin de oudere en de nieuwere geschiedschrijving van de vrouwelijke wetenschap met elkaar geconfronteerd worden, volgen in drie vervolgdelen grofweg chronologisch de lotgevallen van en de discussies over de vrouwen die zich in het domein van de wetenschap waagden. Elk van de drie perioden waarin deze chronologische bespreking is opgedeeld (tot 1898, van 1898 tot 1918, en van 1918 tot 1948) is aangevuld met een beschrijving van de manier waarop één vrouw de problematiek opvatte: de arts Catharine van Tussenbroek, de juriste Clara Wichmann en de biologe Johanna Westerdijk.

De rode draad die door dit verhaal loopt is die van de eigenlijk onoplosbare vraag of wetenschap een geslacht heeft. Het oud-feministische standpunt, dat door de meeste vrouwen van de wetenschap werd gehuldigd, was dat wetenschap geen sekse kent, zodat vrouwen gewoon hetzelfde moeten (kunnen) doen als mannen. Daartegenover stond het denkbeeld dat de bestaande wetenschap wel degelijk een door mannen getekend karakter had, zodat vrouwen zich op hun anderszijn moesten beroepen, een andere, vrouwelijke wetenschap moeten beoefenen of althans de bestaande wetenschap door de inbreng van een vrouwelijk element moeten hervormen (het nieuw-feministische standpunt). Het eerste standpunt is in de grond van de zaak een kwestie van wishful thinking en laat fundamentele ongelijkheden onbesproken, maar het tweede standpunt, hoewel in theorie misschien juister, is net zo nadelig voor vrouwen. Ik denk genoeg vrouwen in de wetenschap tegen te komen om te kunnen zeggen dat het debat altijd onbeslist is. Ook op dat punt is het pessimisme van Bosch realistischer dan het optimisme van Van der Kolf.

Een nadeel van de wat etherische gender-benadering is wel dat de bewijsvoering af en toe wat dun wordt. Een voorbeeld is de vraag waarom Blok zo'n duidelijk antifeministisch standpunt innam en meende dat de 'echte' geschiedschrijving slechts voorbehouden was aan mannen. Volgens Blok was een meisjes in staat om een “levendig, goed gesteld verhaal van wat zij als kennis heeft opgezameld voor de dag te brengen”, maar dat is alleen voor leken misschien wetenschap: de echte onderzoeker ziet dat het niet meer is dan “een produkt van wetenschappelijke kennis, opgemaakt met een zekere kunstsmaak, met zekere artistieke vormkracht als men wil”. Echte geschiedschrijving vergt echter nog iets meer, eist volledige toepassing van het zoeken naar de waarheid. De vrouwelijke natuur is daartoe niet in staat, die is juist partijdig en sterk geneigd in een bepaalde richting te zoeken.

Speculatie

Deze woorden waren niet willekeurig gekozen. Met begrippen als een 'levendig, goed gesteld verhaal', 'kunstsmaak' en 'artistieke vormkracht' verwees Blok impliciet naar Huizinga, die in 1905 bij zijn aantreden in Groningen over het 'aesthetische bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen' had gesproken. En met een begrip als 'partijdigheid' en 'onbevangen zoeken naar waarheid' verwees Blok naar zijn Leidse opvolger Bussemaker, die eveneens in 1905 gesproken had over het onvermijdelijke subjectivisme van de historicus. Huizinga en Bussemaker hadden de liberaal-positivistische geschiedbeoefening gekritiseerd waar Blok nu juist zo'n belangrijk exponent van was. Op zijn beurt probeerde Blok de nieuwe richting weer te diskwalificeren door ze te associëren met een typisch vrouwelijke wijze van wetenschapsbeoefening.

Althans, dat is de mening van Mineke Bosch en zij is heel aannemelijk. Alleen, een bewijs of iets wat daar in de buurt komt heeft zij niet, het blijft niet meer dan een suggestie. Dat diskwalificeert haar mening niet, een beetje speculatie is niet erg in de geschiedwetenschap, integendeel zelfs. Maar in een benadering waarin het wemelt van de 'constructies van vrouwelijkheid' is het toch al zo moeilijk uit te maken wie wat construeert.