Lessen voor de staat uit Azie; Hoever moet het tropisch etagebos van de overheid worden teruggedrongen?

Op het statige departement aan de Haagse Bezuidenhoutseweg hebben ze van hun ambtenaren de bijnamen Koos Clinton en Yvonne Reagan gekregen. Bill Clinton is voor minister Koos Andriessen het grote voorbeeld omdat de Amerikaanse president na zijn aantreden een televisie-debat over de toekomst van de Amerikaanse industrie organiseerde. Met zijn opmerking “the government is not the solution of our problem; the government is the problem” is ex-president Ronald Reagan het idool van staatssecretaris Yvonne van Rooy geworden.

Saillant is dat Reagan in één zin de discussies samenvat die in de globaliserings-werkgroepen is gevoerd over de rol van de overheid. De taak voor de overheid is makkelijk: “die moet minder doen. Zowel in het geven van regels als het in het uitvoeren daarvan. Bij dit laatste is bovendien veel meer uitbesteding mogelijk.”

Dit laatste idee is niet nieuw, maar het politieke klimaat lijkt rijp voor een scheiding tussen beleid en uitvoering. Kleine kerndepartementen waar ambtenaren werken die zich alleen bezighouden met het beleid. De uitvoering van het beleid heeft plaats in zelfstandige organisaties. De vorming van kern-departementen leidt niet per definitie tot minder ambtenaren, maar geeft een beter inzicht in de verantwoordelijkheden. Met als resultaat dat de 'regeldrift' van Den Haag kan verminderen.

De commissie-Wiegel, een van de zes commissies die de Tweede Kamer jaar adviseerde over staatkundige vernieuwing, pleitte medio vorig voor de invoering van kern-departementen. Van de ongeveer 150.000 Haagse ambtenaren zou maximaal tien procent overblijven; de rest houdt zich bezig met het uitvoeren van beleid. Ook de Haagse topambtenaren breken een lans voor een dergelijke scheiding en erkennen dat organisatie en werkwijze van de Nederlandse overheid onvoldoende toegesneden op de grote maatschappelijke vraagstukken en de Europese ontwikkeling. De secretarissen-generaal typeerden hun eigen departementen als “hyperverkokerde organisaties”. Kabinetsformatie en regeerakkoord van 1994 en 1998 zijn cruciale data waarbij de daad bij get woord kan worden gevoerd.

In de verslaglegging van de discussie die in de werkgroepen is gevoerd, klinkt de echo van Wiegel en de topambtenaren door. In de jaren vijftig en zestig ging de overheid zich steeds intensiever met de economie en de samenleving bemoeien. De collectieve uitgaven, uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen liepen op. Het overheidsapparaat dijde uit. De zogeheten regeldichtheid nam toe. Collectieve lastendruk en regeldichtheid worden nu door de werkgroepen als belemmerend ervaren om adequaat te kunnen reageren op het fenomeen van de globalisering.

Ambtenaren en politici lijken de strijd te willen aangaan met de regels. “Het woud van voorzieningen en arrangementen lijkt op een tropisch etagebos: op de ene laag regelingen is de volgende tot stand gekomen en in deze stappeling zijn ordening en samenhang moeilijke te ontdekken”, schreef secretaris-generaal Ad Geelhoed van economische zaken drie jaar geleden in zijn nieuwjaarsartikel in het economenblad ESB.

Zijn minister vindt dat flexibilisering van de overheid - flexibilisering is het begrip in de discussie over de globalisering - zich moet concentreren op minder wet- en regelgeving. Ieder jaar produceert Den Haag vierhonderd nieuwe regels die voor het bedrijfsleven van belang zijn. De kosten voor bedrijven van dit soort regelgeving bedragen bijna acht miljard gulden per jaar. In zijn politieke erfenis wil Andriessen een index nalaten die aangeeft wat de kosten voor het bedrijfsleven zijn voor alle wet- en regelgeving. En in de komende kabinetsperiode zou de index volgens Andriessen terug moeten worden gebracht van honderd naar bijvoorbeeld negentig.

Op het terrein van de wet- en regelgeving moet de overheid een stap terug doen. Evenals op het terrein van de subsidies. Bij de topambtenaren en in de politiek bestaat al enige tijd scepsis over het nut van sommige van de zevenhonderd subsidieregelingen waarmee een bedrag van bijna veertig miljard gulden is gemoeid. En ondanks een beleid dat officieel gericht is op terugdringing van de nationale subsidiepot verstrekt de overheid in aantal en in absolute bedragen dit jaar meer subsidies dan vorig dit jaar. Het is een voorbeeld van de politiek die terugdeinst voor de consequenties van eerder genomen besluiten. En het ambtelijk establishment beschouwt een eenmaal opgedragen taken als een verworven recht; die afstaan staat gelijk aan zelfkastijding.

Minder regelgeving, minder subsidies betekent dat de directe invloed van de overheid afneemt. Daarnaast wordt het sturend vermogen van de Nederlandse overheid minder doordat beleidstaken worden overgedragen aan de Europese Unie. De overblijvende taken worden relatief steeds belangrijker. Met name omdat met minder beleidsmogelijkheden moet worden opgebokst tegen een sterker wordende concurrentie tussen overheden. Binnen de Europese Unie neemt een dergelijke concurrentie toe met het doel buitenlandse investeerders binnen de eigen grenzen te halen, of om te voorkomen dat ondernemingen uitwijken naar andere landen.

Op fiscaal terrein is binnen de Europese Unie al sprake van een concurrentie-slag af. Door grotere mobiliteit van arbeid en kapitaal, vervaging van de grenzen, en de internationale heroriëntatie binnen ondernemingen kijken ondernemers steeds kritischer naar het fiscale beleid van de overheid. Staatssecretaris Marius van Amelsvoort (financiën) heeft daarom onlangs een werkgroep geïnstalleerd die concrete voorstellen moet gaan formuleren voor verbetering van het belastingklimaat in Nederland.

Een concurrerend fiscaal klimaat is een van de factoren die kan bijdragen aan een gunstig vestigingsklimaat. Op dat terrein zal de overheid een actiever en creatiever beleid moeten gaan voeren. Dat geldt ook voor infrastructuur, opleiding en scholing. Uit een studie van de Wereldbank blijkt dat de zogeheten fundamentals het succes van de 'tijgers' in Zuidoost Azië verklaren. Zuid-Korea, Taiwan, Hong Kong en Singapore kozen allemaal een verschillende beleids-mix. Maar alle vier landen concentreerden zich op een goede infrastructuur, investeren in opleiding en scholing, concurrerende fiscale wetgeving, beperkte wet- en regelgeving.

De Nederlandse overheid richt zich ook steeds meer op deze beleidsterreinen. Op sommige terreinen wil de overheid een stap terug doen (regelgeving, subsidies) om op andere terreinen (infrastructuur, opleiding en scholing, technologie) een stap voorwaarts te doen.

Het is een kwestie van wachten voordat minister Andriessen of staatsecretaris Van Rooy de ideeën van de Amerikaanse vice-president importeren. Al Gore leidt op dit moment met grote inzet een een commissie die de overheid doorlicht en met concrete voorstellen komt voor een beter functioneren. Ook inventariseert Gore de beleidstaken van de overheid die uitgebreid danwel ingekrompen moeten worden. Het reveil van de overheid als reactie op het beleid van Reagan en Bush; het vrije matktmechanisme is niet in staat om alle problemen op te lossen.

    • Cees Banning