Kleine man in Midden-Oosten

Edmund Burke III redactie: Struggle and Survival in the Modern Middle East 400 blz., geïll., I.B. Tauris & Co Ltd 1993, ƒ 53,50 (pb)

Donna Lee Bowen & Evelyn A. Early redactie: Everyday Life in the Muslim Middle East 327 blz., geïll., Indiana University Press 1993, ƒ 53,95 (pb)

De Egyptische journalist Samir Sobhi schreef enige tijd geleden een vermakelijke column in het dagblad al-Ahram al-Massa'i: “Wie is de gemiddelde Egyptenaar vandaag de dag? Hoe wordt hij gekenmerkt en wat zijn zijn voorkeuren? Wat denkt, doet en voelt hij?” Dit zijn moeilijke en lastig te beantwoorden vragen, geeft Sobhi toe. “Het gaat hier echter om prangende vragen die alle politici, economen, journalisten en televisiemakers bezighouden omdat zij rekening dienen te houden met de publieke mening. De gewone man is immers de hoeksteen van de moderne democratische staat zoals de feodale heer de basis vormde van de middeleeuwse stadstaat.”

Langzaam maar zeker wordt in het Midden-Oosten de 'gewone man' herontdekt. In de eerste plaats door veel autoritaire regimes die hun stabiliteit in deze regio de afgelopen jaren zagen afkalven. Nadat zij zich realiseerden dat hun omvangrijke politie-apparaten te duur werden en steeds vaker het onderspit dolven in de strijd tegen 'de macht van de straat', doen regeringsleiders nu, zij het mondjesmaat, concessies op het gebied van democratie en inspraak. Sociale wetenschappers, in wier studies tot voor kort voornamelijk de politieke en economische elites van het Midden-Oosten schitterden, volgen nu gestaag. Ineens kan een Koeweitse parelvisser, een Armeense vrachtwagenchauffeur uit Iran en een Libanese huishoudster zich verheugen in een brede academische belangstelling; zelfs het oriëntalisme ondergaat een democratiseringsproces.

Marionetten

Edmund Burke kiest in zijn Struggle and Survival in the Modern Middle East voor een historische invalshoek. Hij beklaagt zich over het feit dat ondanks de overvloed aan kennis en informatie over het Midden-Oosten deze regio nog steeds bekeken wordt “over de schouders van diplomaten, officieren, grote ondernemers en bureaucraten”. Deze elitistische geschiedschrijving leidt er volgens Burke toe dat Midden-Oosterlingen geportretteerd worden als “marionetten in een historisch drama waarop zij geen enkele greep hebben, in plaats van als individuen van vlees en bloed die in staat zijn hun eigen leven vorm te geven”. Om dit te verhelpen heeft hij verscheidene auteurs aan het werk gezet om korte levensbeschrijvingen te schetsen van doorgaans onbeduidende inwoners van het Midden-Oosten van vóór, tijdens en na de koloniale periode. Aangezien onze voorvaderen ook al meer geïnteresseerd waren in de activiteiten van prominente figuren en daarom in hun geschriften en documenten de 'massa's' links lieten liggen, wordt de speurtocht naar de 'gewone' man of vrouw voornamelijk gevolgd via interviews met stokoude individuen, toevallig teruggevonden persoonlijke brieven, reisimpressies en zelfs herinneringen van de auteurs zelf.

De talrijke gepresenteerde biografieën geven een gedetailleerd inzicht in de invloed die politieke en economische veranderingen hebben gehad op specifieke individuen en groepen. Interessant is hoe individuen vaak op heel verschillende wijzen gereageerd hebben op grootschalige historische processen zoals het moderniseringsstreven van de Ottomanen, het Westerse kolonialisme en later het nationalisme dat het Midden-Oosten in zijn ban kreeg. Zo wist de Libiër Ramdan al-Suwayli, een alim of islamitisch geleerde van bescheiden afkomst, zich te ontpoppen als verzetsstrijder tegen de Italiaanse kolonisten die in 1911 het land waren binnengevallen. Hij moest dit met de dood bekopen.

De Marokkaan Mohamed al-Murid buitte daarentegen de rivaliteit tussen de Spaanse en Franse bezetters maximaal uit door met beiden te collaboreren. Een Algerijnse sheikh van een mystieke sufi-orde in het Saharaanse Atlasgebergte koos op zijn beurt voor een middenweg en zorgde ervoor dat hij zo min mogelijk opviel om de Franse bestuurders te vriend te houden zonder zijn populariteit onder zijn volgelingen te verspelen.

Het is geen verrassende conclusie dat personen zich verschillend gedragen in bepaalde historische omstandigheden, maar kleurrijk is het zeker. Hoewel Burke met zijn methodische doelstellingen en theoretische rechtvaardiging van het project nogal zwaar inzet, zijn de beschrijvingen van vaak dramatische levens vooral aantrekkelijk en soms zelfs vermakelijk om te lezen.

Het meest indringende verhaal is dat van een Circassische slavin, Shemsigul, die in het midden van de vorige eeuw van Istanbul naar Kairo verscheept werd. Tijdens de overtocht werd zij meermalen verkracht door een slavenhandelaar, Deli Mehmet, die haar vervolgens verkocht in Egypte. Dit kwam de man duur te staan want Shemsigul bleek zwanger te zijn op het moment van de transactie. Toen haar nieuwe eigenaar hier lucht van kreeg diende zij te getuigen op een politiebureau in Kairo. Een vertaling hiervan is in het boek opgenomen. Shemsigul vertelt over haar seksuele mishandeling, haar angst en wanhoop en de brute pogingen van Mehmet om een abortus op te wekken. Als lezer krijg je hierbij het gevoel af te dalen in de meest intieme gelederen van de geschiedenis. De slavenhandelaar werd veroordeeld, overigens niet om de gruwelijke behandeling van Shemsigul, maar wegens overtreding van het heilige verbod op de verkoop van zwangere slavinnen.

Grabbelton

Donna Lee Bowen en Evelyn A. Early doen in hun Everyday Life in the Muslim Middle East geen enkele poging de sociale wetenschappen te voorzien van een zoveelste theoretische beschouwing. Zij bieden een bloemlezing van primaire bronnen en ervaringen 'in het veld'. Het is alsof zij hun meer theoretisch ingestelde vakgenoten, die al snel klaar staan met generaliserende conclusies, willen onderdompelen in een grabbelton vol feiten, opinies en contradicties.

De bundel illustreert welke invloeden abstracte culturele concepten hebben op het alledaagse leven in het Midden-Oosten. Zo worden vele bladzijden ingeruimd om weer te geven wat familiebanden, religiositeit of nationalisme betekenen in een voorstelling van straatmusici, tijdens een trouwpartij en een bezoek aan een heiligengraf of aan de dokter. Maar ook meer lichtvoetige onderwerpen komen ter sprake.

De belangrijke positie van de Arabische taal wordt onderstreept in een bijdrage over de burgeroorlog die in Jemen woedde tussen 1962 en 1967. Hier bestookten de antagonisten elkaar niet alleen met granaten, maar ook met gedichten. De Jemenitische bevolking volgde nauwgezet hoe de republikeinse voorman zijn royalistische vijand in woordkeuze en stijl overtrof.

Een belangrijk voordeel van de nadruk op persoonlijke ervaringen is dat de kracht die religie kan hebben volledig tot zijn recht komt. Zo beschrijft de Marokkaanse schrijver Driss Chraibi de recitatie van de Koran ter gelegenheid van de begrafenis van zijn vader. Staande aan de rand van het graf heft een man een vers aan van de Koran. Chraibi is hevig onder de indruk: “Deze man was zich er niet eens van bewust dat de stem van zijn geloof het geheim van het leven bezat, een man die niet meer dan een leek kon zijn in deze wereld van kennis en beschaving. In zijn persoon en in zijn stem school een oneindige waarheid terwijl alles om hem heen en op de continenten nietig werd.”

Door dit soort passages kunnen politicologen of sociologen met hun ingenieuze modellen er beter voor een moment het zwijgen toe doen.

Lui en traag

Het centraal stellen van de gewone mens en zijn geschiedenis is natuurlijk niet nieuw. Tolstoi pleitte er al in zijn Oorlog en Vrede voor “koningen, ministers en generaals ter zijde te schuiven” en daarvoor in de plaats de “gewone, oneindig kleine elementen waardoor massa's in beweging worden gezet” te bestuderen. Braudel paste een soortgelijk principe toe op de geschiedenis van het kapitalisme in het Europa van de vijftiende tot de achtiende eeuw. E.P. Thompson schetste aan de hand van de beleving van de gewone man de geschiedenis van de Britse arbeidersbeweging.

Burke schrijft in zijn inleiding van Struggle and Survival in the Middle East beïnvloed te zijn door een bijna gelijknamige bundel over de individuele beleving van het kolonialisme op het Amerikaanse continent. Oriëntalisten zijn echter altijd wat lui en traag geweest in het overnemen van benaderingen die in de grotere disciplines allang gemeengoed zijn geworden. Misschien houdt dat verband met de nog steeds wijdverbreide en ongefundeerde opvatting dat de Oriënt louter is opgebouwd uit unieke kenmerken. Dit staat vergelijkingen met andere regio's vaak in de weg.

Hoewel het Midden-Oosten in een fris en nieuw daglicht wordt gezet, kleeft er wel een aantal bezwaren aan het radicaal overboord zetten van een theoretische invalshoek, waarvoor de auteurs in beide boeken pleiten. Onduidelijk blijft bijvoorbeeld welke feiten en processen de moeite van bestudering waard zijn. Het is amusant en interessant te weten te komen hoe Assaf, een boer uit Libanon, heeft geleefd, maar waarom eigenlijk? Dezelfde vraag doet zich voor bij Abu Illya, een hedendaagse bakker in Marokko, en vele andere personages. De auteurs hebben geen moeite met dit soort vragen, gezien de hoeveelheid feiten en levensverhalen waarmee zij de lezer overstelpen. Blijkbaar schuilt in hun achterhoofd nog steeds een complex van theoretische en generaliserende vooronderstellingen dat hun onderwerpskeuze stuurt.

Het is jammer en zelfs een beetje oneerlijk tegenover hun zwaar gekritiseerde vakgenoten dat zij hun overwegingen niet prijsgeven. Tegelijkertijd bestaat het gevaar dat bij gebrek aan een duidelijk theoretisch kader de beschreven personen vervreemdend overkomen, of zelfs geportretteerd worden als sullige, exotische goedzakken. In dit verband is het op z'n minst bedenkelijk dat één van de personages uit Burkes bloemlezing, een bejaarde Tunesische nationalist, wegens zijn bijbelse uiterlijk een rol kreeg toebedeeld in de film The Life of Brian van Monty Python.