Kiezen tussen het verlagen van de uitkeringen en het verhogen van het loon; Een vicieuze cirkel van hoge premies en weinig banen

Het spot met alle logica, tart het calculerende gedrag van mensen en toch komt het voor: een alleenverdiener met een uitkering die er financieel op achteruitgaat wanneer hij een baan aanvaardt. Dat is het geval als deze kostwinner met een gezin werk krijgt waarvoor hij het minimumloon ontvangt. Hij levert netto zeven procent van zijn inkomen in.

Dat komt vooral omdat hij enerzijds bij zijn uitkering er legaal nog wat mocht bijverdienen en anderzijds een vaste baan nu eenmaal bepaalde kosten met zich meebrengt. Ook is de kostwinner aan premies meer kwijt dan wanneer hij niet zou werken; een nadeel dat fiscaal niet volledig wordt gecompenseerd door de beroepskosten (het arbeidskostenforfait) die de werknemer van zijn belastbare som mag aftrekken.

Dat de verzorgingsstaat op deze manier de werklust niet stimuleert, laat zich raden. Het verklaart ook waarom in de marktsector vrijwel geen werknemer het minimumloon verdient; zelfs de werknemers die in een bedrijf het laagst betaald worden, zitten meestal zo'n 20 à 25 procent boven het minimumloon.

Het niveau van de sociale zekerheid roept een marktmechanisme in werking dat de loonkosten opstuwt. Want de uitkeringsgerechtigde die de arbeidsmarkt opgaat, wil er niet alleen niet op achteruit gaan - zoals de kostwinner die het minimumloon gaat verdienen - hij moet substantieel meer kunnen verdienen wil een vaste baan voor hem aantrekkelijk zijn.

Uit onderzoek, onder meer van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, is gebleken dat de kostwinner 10 tot 20 procent meer wenst te verdienen dan het sociaal minimum voor een echtpaar. Dit zogenoemde reserveringsloon kan als individuele wens zelfs oplopen tot 49 procent, in guldens is dat per maand 800 gulden hoger dan de uitkering. Daarmee zou de werkgever bruto zelfs een salaris moeten betalen dat 70 procent hoger is dan het sociaal minimum. Is deze wens wellicht een extremiteit, onderzoek heeft ook uitgewezen dat 55 procent van de mensen met een bijstandsuitkering er ten minste 300 gulden op vooruit wil gaan, willen ze een betaalde baan aantrekkelijk vinden.

Als werken voor mensen met een uitkering op het minimumniveau al zo onaantrekkelijk is, dan moet dat voor bijvoorbeeld een arbeidsongeschikte of een werkloze met een uitkering die kan oplopen tot 70 procent van het laatstverdiende loon, nog meer gelden. Het is een probleem dat in deze jaren van lage economische groei en weinig vacatures enigszins wordt verhuld, maar structureel aanwezig is. In de jaren tachtig, toen de arbeidsmarkt met honderdduizenden banen werd uitgebreid, kwam daarvan maar een zeer gering deel bij de mensen met een uitkering terecht. Dit alles wettigt de conclusie dat de Nederlandse verzorgingsstaat aanzet tot inactiviteit, in het bijzonder in het segment van de arbeidsmarkt waar de laagste lonen te verdienen zijn. En juist op dat niveau, vinden tegenwoordig èn werkgeversorganisaties èn vakcentrales, moeten er banen worden geschapen.

Wie die banen aantrekkelijker wil maken, heeft grofweg de keuze tussen het verlagen van de uitkeringen of het verhogen van de netto-lonen. Door de uitkeringen een reeks van jaren te bevriezen en het arbeidskostenforfait voor werknemers steeds een beetje te verhogen, heeft het kabinet voorzichtige pogingen in die richting gedaan. Maar grote stappen zijn er nog niet gezet, getuige de kostwinner die erop achteruit gaat als hij tegen het minimumloon gaat werken.

Nederland gaf, ziektekostenpremies niet meegerekend, vorig jaar zo'n 87,8 miljard gulden uit aan sociale verzekeringen. Voor sociale voorzieningen als de bijstand en de kinderbijslag kwam daar nog eens een dikke 25 miljard bij. Meer dan 32 procent van het bruto binnenlands produkt wordt hier aan sociale zekerheid uitgegeven, hoger dan in enig ander land van de Europese Unie. Omdat dit geld uit de belastingen en vooral de sociale premies moet worden opgebracht, kampt Nederland met een hoge 'wig', dus met een groot verschil tussen de bruto-loonkosten en de netto-lonen. Dat geldt, in vergelijking met de Verenigde Staten, Japan en Canada, ook voor veel andere landen in de Europese Unie.

De Nederlandse werknemer houdt van zijn bruto-loon betrekkelijk weinig over, terwijl hij zijn werkgever toch veel kost. Sociale zekerheid en werkloosheid houden elkaar gevangen in een viceuze cirkel. Via de premies drijft de sociale zekerheid de arbeidskosten per werknemer op. Omdat de arbeidskosten zo hoog zijn, is het moeilijk banen te scheppen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, dus daar waar de werkloosheid het grootst is. Een stijgende werkloosheid of andere vormen van inactiviteit (zoals arbeidsongeschiktheid) leiden tot een opwaartse druk op de premies. Daarmee nemen de arbeidskosten weer toe en wordt het creëren van nieuwe banen nog moeilijker. Hier bijt de sociale zekerheid zich in haar eigen staart (dixit staatssecretaris Wallage van sociale zaken).

Alleen een drastische vermindering van het gebruik van de sociale uitkeringen kan een einde maken aan deze paradoxale situatie. De meest rechte weg daarheen lijkt de invoering van een mini-stelsel, het terugbrengen van alle uitkeringen naar het niveau van het sociaal minimum. Het Centraal Planbureau heeft berekend wat daarvan de economische effecten zijn. En ze zijn, voor wie even de maatschappelijke gevolgen van dergelijke ingrepen in de sociale zekerheid negeert, om van te watertanden. De werkgelegenheid in de bedrijven neemt met 6,7 procent toe doordat de brutolonen fors omlaag gaan en de prijzen voor de consument zakken met 1,4 procent. De sociale premies dalen met 3,5 procent van het netto nationaal inkomen en de belastingen met 2,1 procent. Het verhoudingsgetal tussen werkenden en niet-werkenden (nu staan tegenover 100 werkenden 86 mensen met een uitkering) verbetert met 11,1.

Als het sociale-zekerheidsstelsel bovendien wordt geïndividualiseerd en ook de kostwinners terugvallen naar een uitkering van maximaal 70 procent, daalt bijvoorbeeld het aantal inactieven op elke honderd werkenden zelfs met 17,4.

Het is een theorie, waarvan al vast staat dat zij niet strookt met de werkelijkheid. De CPB-becijferingen gaan ervan uit dat werknemers niet zullen proberen de inkomensschade die ze bij arbeidsongeschiktheid of werkloosheid oplopen, op een andere manier collectief te verzekeren. De praktijk heeft anders uitgewezen. Toen de toekomstige WAO-uitkeringen vorig jaar werden verlaagd - en lang niet zo drastisch als bij een mini-stelsel - werden de werknemers via hun vakbonden en via de bedrijven massaal bijverzekerd. Omdat de bestaande uitkeringen werden ontzien en verzekeraars voor hun premies bovendien niet van een kostendekkend omslagstel mogen uitgaan, maar via een kapitaaldekkingsstelsel reserves moeten kweken voor latere verplichtingen, zijn de lasten op macro-niveau bij zo'n ministelsel aanvankelijk zelfs hoger.

Een mini-stelsel is dus voorlopig nog een weg vol hobbels en valkuilen. Wat overigens allerminst reden is het zoeken naar een activerend stelsel van sociale zekerheid te staken.