Italië, maart '44

Toen ik las dat 'jeugdigen' er vrijwel allemaal voor waren de oorlog te herdenken, was ik verbaasd over die ommekeer, maar ik bedacht me dat de ondervraagden uit een generatie komen die geen ouders hebben die actief aanwezig waren in die oorlog, die er dus niet eindeloos over hebben zitten zeuren aan tafel, daarmee een aversie aankwekend tegen oorlogsherinneringen.

Vorige week stond er in een Amerikaanse krant een verslag van een bombardier die in maart '44, nu precies vijftig jaar geleden, zijn 'tour of duty' volmaakte in Italië. Het was toen de gewoonte, vertelde hij, dat navigatoren van de eerste vliegtuigen uitzochten waar het doel was, dat daar vervolgens de bommen werden afgegooid, en dat de rest dan gewoon hun voorbeeld volgde.

Hij zat de bewuste avond in een van de achterste toestellen, en zag dat de voorste (Canadese) bommenwerpers hun bommen niet op het doel, Montecassino, gooiden, maar twaalf mijl te vroeg, op een andere berg, die allang in geallieerde handen was. Aangezien de order luidde 'Niet denken maar doen', was hij in een dilemma. Officieel heeft de bombardier het toestel gedurende twee minuten boven het doel onder commando, de piloot dient zijn orders uit te voeren, en op het beslissende moment drukt de bombardier dan op de knop die de bomluiken opent.

Ditmaal liet hij dat dus achterwege omdat hij duidelijk Montecassino in de verte zag liggen maar kreeg daarna de hele crew over zich heen. De Captain zei dat iedereen vast en zeker gestraft zou worden als de bomluiken nog vol zouden zijn, dat het gevaarlijk was met bommen te landen en dat het het beste was ze in zee te dumpen, echter dan moest men de formatie verlaten en dat zou weer opzien baren.

Uiteindelijk zijn ze mèt de bommen geland en vervolgens bleek dat zij de enigen waren die niet hadden afgegooid.

Toen echter de berichten binnenkwamen dat eigen troepen waren getroffen, afgezien van onschuldige burgers, bleek de bombardier ineens de held van de dag. Hij hield er twee onderscheidingen aan over, en, zoals hij nu zegt, als mijn kleinkinderen vragen: “Wat deed jij in de oorlog, opa?” Dan kan ik zeggen, “ik bombardeerde Montecassino niet.”

De leidende Canadese piloten en bombardiers werden 'grounded' en naar huis gestuurd, terwijl hij zich na zijn heldhaftige daad weer in levensgevaar kon begeven. Hij deed dat immers zo goed? Catch 22 maar dan op een andere manier.

In de oorspronkelijke versie van Catch 22 ging het om de regel dat je slechts van je missies ontheven kon worden als je zei dat je het niet meer aankon, dat je je zenuwen niet meer in bedwang had, dat je, kortom, door het lint was, gek. Jammer genoeg mocht je niet vliegen als je gek was, en je vloog nog, dus was je niet gek, zeker niet als je zo'n sluitende reden had bedacht om van het vliegen af te komen.

In het boek 'Men under Stress' wordt uitgelegd hoe bombardeurs een ziekte kregen die het hen fysiek onmogelijk maakte hun vak te blijven uitoefenen: ze kregen dikke vingers, waardoor de vinger niet meer door de opening in de vloer gestoken kon worden om de verzonken knop in te drukken waardoor de bomluiken via het richttoestel op tijd zouden openen.

Zo werden nachtvliegers nachtblind en kregen in de Eerste Wereldoorlog infanteristen trenchfeet, waardoor ze de loopgraven niet meer inkonden. Allemaal mogelijkheden van het lichaam om de macht over te nemen als het menens wordt.

Anderen krijgen vreemde reacties. Zo was bekend dat als je de explosie van een luchtdoelgranaat zag, er niets aan de hand was: hij had je dan kennelijk gemist. Toch waren er piloten die steevast om de explosiewolkjes heenvlogen.

Het was nog het ergste voor de A-gunners, de mannen die de machinegeweren in de bommenwerpers bemanden. Ze zaten als vissen in de fuik bij flak. Op de grond gedragen ze zich net als de anderen. Je ziet van buiten niets aan ze. Ze maken hun grappen, spelen kaart, drinken wat wijn in de kantine en schrijven naar huis. Maar, zegt de schrijver Ernie Pyle, als er eentje 'has had it', dan zit hij alleen, zegt niet veel, en begint in de verte te staren.

Pyle, die als geen ander over soldaten, levend en dood, schreef, misschien de beroemdste oorlogscorrespondent uit WW II, werd twintig dagen voor de Duitsers zich overgaven gedood. “Dead men in such familar promiscuity that they become monotoneus. Dead men in such monstrous infinty that you come almost to hate them”, stond er in een ruwe versie van een column die hij voorbereid had over het einde van de oorlog, een column die op zijn lijk aangetroffen werd.

In zijn laatste gepubliceerde column beschrijft hij een vriend van hem, Fred Painton, die heel teruggekeerd was naar New York. “He had gone on many invasions. He was in Cassino, He was ashore at Iwo Jima. He was certainly living on borrowed time. To many it seems unfair for him to die prosaically. And yet...

I have no idea how Fred Painton would have liked to die. But somehow I'm glad he didn't have to go through the unnatural terror of dying on a battlefield. For he was one of my dear friends and I know that, like myself, he had come to feel that terror.''

    • van Lennep