In Maleisië gaan zaken en politiek innig samen

De recente aantijging in de Sunday Times dat Maleisische politici geld accepteren van buitenlandse firma's die jagen op contracten in deze snel groeiende economie, wekte woede en leidde tot een Maleisische boycot tegen Britse bedrijven. Maar wat heet corruptie? De grens tussen de publieke en de particuliere sector is in Maleisië geheel vervaagd.

KUALA LUMPUR, 19 MAART. Premier Mahathir Mohamad van Maleisië schamperde onlangs, in een reactie op de Britse aantijgingen over corruptie: “50.000 dollar voor de premier in ruil voor een contract van 1 miljard?” Het was waarschijnlijk ironisch bedoeld, maar het kan de indruk hebben gewekt dat de premier meer gewend is. De Maleisische oppositie heeft de wraak van Mahathir op Groot-Brittannië aangegrepen voor een onderzoek naar wat in Maleisië money politics heet, verregaande verstrengeling van politiek en bedrijfsleven.

Maleisische politici zijn niet aangewezen op douceurtjes uit het zakenleven, want ze maken daar zelf deel van uit. De grote politieke partijen, voorop de United Malays' National Organization (UMNO), Mahathirs machtige regeringspartij, bezitten aandelen in bedrijven, in naam ter versterking van de economische positie van hun etnische achterban. Individuele politici zijn, al of niet via stromannen, in zaken en bedienen zich van staatsbedrijven en partijvermogens om invloed uit te oefenen en stemmen te winnen.

Buitenlandse ondernemers die in Maleisië zaken wilden doen, kregen vroeger te maken met ambtenaren die steevast behoorden tot de grootste etnische groepering, de Maleiers, en met ondernemers uit de Chinese gemeenschap. Tegenwoordig krijgen zij steeds vaker van doen met islamitische Maleiers, die zowel politicus, bureaucraat als ondernemer blijken te zijn. Hun verschijning is het gevolg van de Nieuwe Economische Politiek (NEP), het regeringsprogramma uit de jaren zeventig dat van de vanouds weinig ondernemende Maleiers kapitalisten moest maken.

Maleisië kreeg zijn onafhankelijkheid van Groot-Brittannië op voorwaarde dat de UMNO, de partij van de Maleiers en gezien de omvang van dit electoraat de grootste partij, bereid was tot multiraciale samenwerking. UMNO sloot aan de vooravond van de verkiezingen in 1955 een bondgenootschap met de Malayan Chinese Association (MCA) en het Malaysian Indian Congress (MIC), die opkwamen voor de Chinese en Indiase minderheden. Deze Alliantie won de verkiezingen en is tot de dag van vandaag aan de regering. De hechtheid van deze driebond berustte op wederzijds voordeel en politieke berekening. UMNO's achterban bestond vooral uit kleine boeren en een enkele arbeider en de partij was voor financiële steun aangewezen op de goed gevulde kas van de MCA. Die had UMNO nodig om zetels te winnen, want plattelandsdistricten met een Maleier meerderheid zijn talrijker dan stadsdistricten met een relatief grote Chinese gemeenschap. De MCA begon als pressiegroep van invloedrijke Chinese ondernemers die hun belangen in de bouw, het transport, de handel en de tinmijnen na de onafhankelijkheid wilden veiligstellen.

De oprichters van UMNO waren Maleiers, conservatieve politici die het vooral moesten hebben van plattelandskiezers. In de jaren zestig voerde de Alliantie een liberale economische politiek. Ofschoon UMNO voorstander was van bezitsvorming door Maleiers en ontwikkelingsprogramma's lanceerde voor het platteland, pleegde de regering geen inbreuk op de economische status quo. Buitenlandse, vooral Britse bedrijven, behielden een flinke vinger in de pap en het Chinese zakenleven werd weinig in de weg gelegd.

In de jaren zestig meldden zich binnen UMNO 'Jonge Turken' die scherpe kritiek hadden op het feit dat de economische machtsverhoudingen - met in het middelpunt buitenlandse ondernemingen en Chinese bedrijven - na de onafhankelijkheid niet waren veranderd. Hun grieven waren gefundeerd. In 1961 vormden de Maleiers 47 procent van de bevolking en was slechts 1 op de 8 ondernemingen eigendom van Maleiers. In 1970 was dat nog maar 16,9 procent. De jonge garde in UMNO eiste uitbreiding van de staatssector om onder de beschutting van de overheid een ondernemersklasse van Maleiers op te kweken.

Na de ernstige rassenrellen van 1969 werd premier Tunku Abdul Rahman vervangen door Abdul Razak die radicale hervormingen inluidde. In 1970 lanceerde hij de Nieuwe Economische Politiek (NEP), een ambitieuze poging tot social engineering die neerkwam op positieve discriminatie van de Maleiers. Dit betekende het einde van het liberale beleid, een toenemende staatsinterventie en een inbreuk op de oude modus vivendi tussen de etnische gemeenschappen.

De staat mat zichzelf de rol aan van herverdeler; de Maleiers moesten in staat worden gesteld hun economische achterstand in te lopen. Bij afwezigheid van een inheemse ondernemersklasse trad de UMNO op als collectieve zaakwaarnemer, voogd en beschermheer van de Maleiers. Middelen daartoe waren nieuwe staatsbedrijven, die hun ruime fondsen gebruikten voor verwerving van activa van vooral buitenlandse en Chinese bedrijven. Verder kregen Maleiers vlot toegang tot krediet. Bank Negara, de nationale bank, bepaalde het percentage leningen dat moest toevallen aan Maleiers. Dat nam toe van 4 procent van het totale aantal goedgekeurde bankleningen in 1968 tot 28 procent in 1985.

Onder Razak ging ook UMNO zelf in zaken, het directe gevolg van de electorale neergang van de MCA, UMNO's belangrijkste geldschieter. UMNO realiseerde zich dat, wilde de partij financieel onafhankelijk zijn, ze haar eigen economische machtsbasis moest scheppen. In 1972 werd Fleet Holdings opgericht, UMNO's eerste houdstermaatschappij, beheerd door Tengku Razaleigh Hamzah, een prins uit het koninklijk huis van Kelantan, tevens penningmeester van de partij.

Het 'autochtone' aandeel in de economie nam toe dankzij de NEP en de economische groei in de jaren zeventig, die te danken was aan de snelle ontwikkeling van de olie-industrie en toename van buitenlandse investeringen, waarin de regering een vast aandeel opeiste voor Maleiers. Individuen verkochten hun aandelen echter uit geldgebrek, ontbrekende zakelijke belangstelling of talent, en de nieuwe rijkdom werd geconcentreerd in beheersmaatschappijen. De oprichting door de overheid van publiekrechtelijke lichamen die tot taak kregen het nieuwe 'autochtone' vermogen te beheren namens de Maleier gemeenschap, werkte in de hand dat dit vermogen geleidelijk in handen kwam van een kleine, nieuwe elite.

Gevolgen van de NEP waren een grotere publieke sector, een bureaucratie die meer gunsten te vergeven had dan ooit en een 'subsidiementaliteit' onder de Maleiers. Een ander gevolg was de opkomst van de New Malays, niet langer in sarong, maar in maatpak; geen dorpsonderwijzers, maar economen en accountants. Een nieuwe klasse van zakenlui die het moeten hebben van hun UMNO-connecties. De Nieuwe Maleier is geen ondernemer die risico's neemt, maar een soort rentenier: hij verwerft overheidsorders zonder open inschrijving, krijgt voorrang bij privatisering van staatsbedrijven, verwerft leningen en subsidies op prettige voorwaarden en geniet politieke patronage, via toewijzing van de nagestreefde 30 procent 'autochtone' aandelen in beursgenoteerde bedrijven.

De opkomst van deze nieuwe Maleier elite met grote vermogens en goede connecties maakte de UMNO financieel onafhankelijk van de Chinese ondernemers en de MCA. Dat verzwakte de positie van de MCA in de coalitie en ondermijnde haar politieke invloed. In de jaren zeventig moest de MCA departementen als Financiën en Handel & Industrie afstaan aan de UMNO. Een en ander prikkelde de MCA om eveneens in zaken te gaan. De partij riep de Chinese gemeenschap op om de kapitalen te bundelen in een investerings-holding, als de enige manier om hun economische positie te handhaven en uit te bouwen in een gepolitiseerde economie. Ook de MIC heeft enkele bedrijven opgezet, in de hoop loyaliteit aan de coalitie met UMNO te kunnen omzetten in economisch voordeel.

Sinds Mahathir in 1981 premier werd, is de opmars van de Nieuwe Maleiers versneld. Hij is een radicale voorstander van 'autochtoon' kapitalisme. Hij toonde zich ongeduldig over de afhankelijkheid van Maleiers van regeringspatronage en hun onvermogen om ondernemerskwaliteiten te ontwikkelen en verving de mensen aan het roer van UMNO's investeringsarmen door loyale zakenlui. In de eerste helft van de jaren tachtig voltrok zich een invasie van UMNO-gecontroleerde holdings in het bedrijfsleven. Dankzij leningen van staatsbanken, overheidscontracten en gegunde aandelenpakketten verwierven deze holdings controle over enkele van 's lands grootste beursgenoteerde concerns. Een spectaculair staaltje vriendjespolitiek op zijn Maleisisch.

Chinese ondernemers zijn nog steeds goed voor 45 procent van de Maleisische economie, maar zijn hun machtige greep van weleer kwijt. Meer en meer Chinese zakenlui leggen rechtstreekse contacten met Maleier ondernemers of dragen bij aan de UMNO-kas om hun positie veilig te stellen en in aanmerking te komen voor interessante orders. De groep nieuwe Chinese ondernemers die opkwam in de jaren tachtig heeft naar verluidt nauwe banden met Maleier politici; velen van hen zouden fungeren als zakelijke zetbazen voor UMNO-leiders.

De breuk tussen prins Razaleigh en Mahathir in 1988 en de daarop volgende splitsing van UMNO in de oppositionele Semangat 46 (de Geest van 1946) en UMNO Baru (Mahathirs Nieuwe UMNO) deed een felle strijd onbranden over het zakelijke imperium van de partij en leidde tot een ingrijpende herstructuring van het UMNO-vermogen. In 1990 werd het merendeel van de deelnemingen ondergebracht in één houdstermaatschappij, Renong. Een meerderheid van de aandelen Renong is in handen van enkele zakenlui, onder wie Daim Zainuddin, die nauwe banden onderhouden met de UMNO-top en die openlijk hebben toegegeven dat ze optreden namens UMNO. De formele scheiding tussen UMNO en zijn zakelijke belangen was voor de leiders van UMNO aanleiding te verklaren dat de partij niet langer in zaken is. Dat is niet juist; partijgenoten kunnen hen nu alleen niet langer aanspreken op hun manipulaties met UMNO's vermogen.