Hong Kong door Britse bril

Frank Welsh: A History of Hong Kong 624 blz., geïll., HarperCollins 1993, ƒ 83,75

A Truly and Willing Bond heette het document. Het was geschreven in het kreupele (en daardoor onvertaalbare), parmantig-strenge Engels van Chinese gezagsdragers, die wel de klok van de vreemde taal hadden horen luiden, maar de klepel niet wisten te hangen. Het was een document dat een belangrijke bijdrage zou leveren aan de stichting van Hong Kong.

“I, with my officer, and the whole crew are all dreadfully obey the new laws of the Chinese Majesty, that they dare not bring any opium; if one little bit of opium was found out in any part of my ship by examination, I am willingly deliver up the transgressor, and he shall be punish to death according to the correctness law of the Government of Heavenly Dynasty.”

Aldus luidde de tekst van de verklaring die de vertegenwoordiger van de Engelse regering in Zuid-China, Charles Elliott, in 1840 ter ondertekening kreeg voorgelegd. De bedoeling was duidelijk. Alle voorgaande pogingen om een einde te maken aan de spectaculair groeiende Britse opiumhandel op China, die steeds grotere aantallen verslaafde slachtoffers eiste, hadden tot nog toe gefaald en daarom had de keizer nu besloten de doodstraf in te voeren voor degenen die op opiumsmokkel werden betrapt.

Het bij Kanton aan land brengen van de opium verliep, dank zij de soepele medewerking van talloze Chinese distributeurs en autoriteiten, in de praktijk zo openlijk, dat de termen 'smokkel' en 'handel' hier bijna synoniem waren. Het jaar daarvoor had Elliott op last van de Chinese gezaghebbers de verbijsterende hoeveelheid van 2.613.879 Engelse ponden aan opium (meer dan 1 miljoen kilo) bij zijn landgenoten in beslag laten nemen en ter vernietiging overgedragen. Maar hoewel hij loyaal uitvoering aan het beleid trachtte te geven, weigerde Elliott de Truly and Willing Bond te ondertekenen, uit angst hiermee een doos van Pandora te openen.

Expeditie

In zijn geschiedenis van Hong Kong, 540 bladzijden, exclusief de bijlagen, beijvert Frank Welsh zich uit te leggen dat er op zichzelf in dat beleid niets schandelijks school. De London East India and China Association had de Britse minister van buitenlandse zaken, Lord Palmerston, het advies gegeven de opiumhandel te beëindigen en de Chinese wetten te respecteren; de overtreders daarvan zouden geen beroep op de Britse kroon kunnen doen.

Deze “aanbevelingen van de Association”, schrijft Welsh, “werden in hun geheel door Lord Palmerston overgenomen - duidelijk bewijs dat voortzetting van de opiumhandel geen deel uitmaakte van het Britse beleid.” Elders voert hij aan dat de morele verwerpelijkheid die de opiumhandel aankleeft (en in het verlengde daarvan ook de Britse bezetting van Hong Kong een dubieuze tint geeft), in de vorige eeuw niet gold: opium werd beschouwd als ieder ander produkt en diende in dit geval als 'een onontbeerlijk voertuig' voor de commerciële expansie, die de kern vormde van het Britse beleid. “Als er een effectief alternatief voor opium had bestaan, laten we zeggen melasse of rijst, zou het conflict wellicht de Melasse-oorlog of de Rijstoorlog zijn genoemd,” aldus Welsh.

Elliotts weigering het doodvonnis over zijn landgenoten te tekenen, bracht de gewapende confrontatie van het Verenigd Koninkrijk met het Chinese Keizerrijk naderbij. Deze botsing, waaraan Hong Kong zijn ontstaan te danken heeft, zou bekend worden als de Opiumoorlog, een benaming die Welsh in zijn even studieuze als uitputtende geschiedschrijving waar mogelijk vermijdt en vervangt door de term 'de eerste Anglo-Chinese oorlog', of de nog neutralere omschrijving 'de expeditie'.

De belangrijkste doelstelling ervan was het, tegen de zin van het Chinese gezag in, uitbreiden van de Britse handelsbelangen langs de kust en dat werd met geweld afgedwongen. De Opiumoorlog bestond uit een reeks schermutselingen die overduidelijk aantoonde dat de Engelsen, hoewel numeriek natuurlijk veruit in de minderheid, met hun moderne (stoom)schepen en kanonnen superieur waren aan de Chinezen.

Bij het Verdrag van Nanking waarmee de vijandelijkheden formeel werden afgerond, bedong Elliott dat China een aantal havens voor Engelse koopvaardijschepen zou openstellen en dat het een eilandje in de monding van de Parelrivier, niet ver van Kanton, 'voor eeuwig' aan Engeland zou afstaan.

Op 26 januari 1841 hadden de Britten, vooruitlopend op het verdrag, dit eiland alvast geannexeerd door er de vlag te hijsen en daarmee barstte in feite de geschiedenis over Hong Kong los: de geschiedenis van een anoniem, uit een handvol haveloze hutjes bestaand vissersdorp dat zich tot een stralende zakenmetropool zou ontwikkelen, een weergaloze wereldstad.

De reactie in Engeland op deze acquisitie was er één van grote woede en teleurstelling, toen bekend werd wat het met Hong Kong in werkelijkheid in handen had gekregen: 'a barren island with hardly a house on it', in de fameus geworden omschrijving van Lord Palmerston, 'een kaal eiland dat nooit een handelsmarkt zal worden'.

Koningin Victoria, sinds vier jaar op de troon, deelde in de nationale frustratie. “Alles wat we wilden hadden we kunnen krijgen,” schreef ze aan haar oom, koning Leopold van België, “als we niet te maken hadden gehad met het onverklaarbaar vreemde gedrag van Charles Elliott (...), die zijn instructies volstrekt negeerde en trachtte de slechtste onderhandelingsresultaten te behalen, die hij maar kon krijgen” (De cursivering is van de koningin).

Maar ze zag één lichtpunt: “Albert is so much amused at my having got the island of Hong Kong”, dat het echtpaar met de gedachte speelde hun dochtertje de aanspreektitel Prinses van Hong Kong te verlenen. Elliott, de grondlegger van Hong Kong, werd niettemin uit zijn functie gezet.

Lease-overeenkomst

Dat de Engelsen met de verwerving van Hong Kong toch niet zó'n slechte deal hadden gesloten als ze aanvankelijk dachten, blijkt uit het vervolg van de geschiedenis: twintig jaar later dwongen ze de Chinezen het er tegenover gelegen schiereiland Kowloon ook 'voor eeuwig' aan hen over te dragen. En in 1898 sloten ze, ditmaal zonder geweld of dreiging, een lease-overeenkomst voor gebiedsuitbreiding met de aangrenzende New Territories, voor een periode van 99 jaar.

China heeft altijd de geldigheid ontkend van de zogeheten 'Ongelijke verdragen' waarbij Hong Kong en Kowloon aan Groot-Brittannië werden afgestaan, maar het is aan het aflopen van de lease-overeenkomst voor de New Territories te wijten, of te danken, dat de kroonkolonie in 1997 nu in haar geheel zal terugkeren tot China.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog dreigde al “het gevaar”, zoals Welsh schrijft, dat het toen door Japan bezette Hong Kong “zou worden bevrijd door het reguliere Chinese leger” (van Zhiang Kai-shek), maar door krachtige druk op de Amerikanen uit te oefenen, wisten de Britten net te verhinderen dat de stad voortijdig in Chinese handen zou vallen.

Zoals de geschiedenis van de Britse bemoeienis met Hong Kong begon met Anglo-Chinese schermutselingen, zo eindigt zij ook: met het achterhoedegevecht, dat de koloniale heersers onder leiding van de laatste gouverneur, Chris Patten, momenteel houden om vlak voor de communistische machtsovername nog een vorm van democratisch bestuur ingevoerd te krijgen, waaraan het anderhalve eeuw ontbroken heeft.

Tussen beide gebeurtenissen in voltrok zich de ontwikkeling van Hong Kong tot een welvarende en - voor de liefhebbers van spectaculaire wolkenkrabber-architectuur - zelfs schitterende stadstaat met 6 miljoen dicht opeengepakte inwoners, die een onzekere toekomst tegemoet gaan.

Feitenjungle

Frank Welsh beschrijft deze ontwikkeling met een overstelpende toepassing van details, waaraan zijn boek bijkans bezwijkt. Wie helder en overzichtelijk wil worden ingelicht over bijvoorbeeld de omstandigheden die leidden tot de bezetting van Kowloon, de redenen waarom de Britten in het geval van de New Territories genoegen namen met een slechts tijdelijke regeling en hun overwegingen om nu van heel Hong Kong afstand te doen, kan zich beter wenden tot het veel beknoptere boek The End of Hong Kong van Robert Cottrell (John Murray 1993, boekenbijlage 31-7-93), dan zich in de feitenjungle van Frank Welsh te wagen.

Welsh' geschiedschrijving is, zoals hij zelf in zijn voorwoord zegt, “onontkoombaar Anglocentrisch” en daar is geen woord van overdreven. Op veel plaatsen ademt zijn werk de geest van het door hem geciteerde motto “We had the might, therefore we had the right”, dat in sommige kringen werd gebruikt als aansporing en rechtvaardiging om alle Chinese kustprovincies binnen de Britse invloedssfeer te brengen.

Sterker: zijn werk is niet alleen Anglocentrisch, maar ook Anglocentrisch gouvernementeel, met dien verstande dat Welsh zijn verhaal sterk laat domineren door de bestuurders, die Hong Kong van Elliott tot en met Patten hebben geregeerd en dat komt de leesbaarheid niet altijd ten goede. Dat alles neemt niet weg dat hij met zijn History of Hong Kong een gezaghebbend boek heeft geschreven, dat zeer veel gegevens toegankelijk maakt die anders verborgen waren gebleven.