Hollands Dagboek

Margriet de Moor (1941) won in 1992 met haar roman 'Eerst grijs dan wit dan blauw' de AKO-Literatuurprijs. Ze studeerde aan het Haagse Conservatorium zang en piano en vervolgens te Amsterdam kunstgeschiedenis en archeologie. De Moor debuteerde in 1988 met de verhalenbundel 'Op de rug gezien'. De eerste twee weken van deze maand verbleef de schrijfster in Australië, ondermeer voor het festival van Adelaide. Margriet de Moor woont te Bussum en heeft twee dochters.

Maandag 7 maart

Laatste dag in Adelaide. Vandaag geen literatuur, maar kamelen. Mijn zuster en ik gaan de Australische bush bekijken. (Zuster: Maria, zij is schilder, zij vergezelt mij op mijn reis.) Om zeven uur opstaan, ontbijt en ons vervolgens danig insmeren met factor 15, want de zon hier is een beul, mijn voeten bijvoorbeeld zijn al rood verbrand. Elf etages lager - wij zijn in het Hilton - wacht ons een oude grijze heer. Hij gaat ons met zijn BMW naar de heuvels brengen. De ongelooflijk lieve behulpzame jongens achter de balie hebben deze 'limo' voor ons geregeld, een taxi vonden zij veel te duur.

Rit door de buitenwijken, een en al villaatje. De oude heer praat onophoudelijk, en binnensmonds, wij doen maar of de radio aanstaat. Om negen uur is daar de kamelenfarm. Drie van de twaalf beesten zijn al gezadeld. Rex, onze gids, (Inderdaad, zeer stoer met korte baard en snor) is bezig onze lunch in zadeltassen te stoppen. Hij begrijpt best dat wij moeten zuchten om het jong van vier maanden: “Yes”, geeft hij toe. “She's all legs and lashes.” We stappen op, de kamelen liggen, dan rijst onze karavaan van drie omhoog. Vorstelijk! Nagezwaaid door de oude verdwijnen wij over een zandpand de begroeiing in, Rex voorop, dan wij. Geen enkel beest is zo prettig te berijden als de introverte telganger kameel. We schommelen over heuvels vol verschroeide eilanden, - het is hier eind zomer - door bossen van allerlei soorten gombomen, Rex godzijdank zegt ons alleen zo nu en dan hoe een fantastische papegaai, een kaketoe heet. Om twaalf uur zijn we op een beschutte hoogte met diep onder ons een rivier. We eten salade en kip, en drinken een van die Australische witte wijnen die eerst Chablis heetten, maar nu, na Frans protest, Woodstock of Lindemans. Dan dalen we af en zwemmen. Terugtocht als de zon, aan de verkeerde kant, begint te dalen.

Dinsdag

De lucht in. Afscheid van Adelaide, een stad die ik heb leren kennen als open, relaxed en vol goedlachse mensen die verzot zijn op literatuur. Of op leuke schrijvers? Op dat festival kom ik nog wel terug. Omdat de vlucht naar Sydney niet langer dan twee uur duurt, vliegen we laag. Ik zie geblakerde vierkanten grond, en zoutmeren. De kronkelingen zijn rivieren, vaak droog, de rechte lijnen wegen. Ook is er een bosaanplant in de vorm van Jezus leeft. Alles is beladen, beladen met het boek dat ik lees: De fatale kust van Robert Hughes. Hoe dit land aan het eind van de achttiende eeuw als hel, als strafkolonie is begonnen.

In Sydney worden wij door iemand van de uitgeverij opgewacht en in een oud hotel, vlak bij de roze buurt, geïnstalleerd. Daar wachten mijn zusje en ik de komst van een derde zusje af, Josephine, die wij niet meer hebben gezien sinds zij jaren geleden naar Nieuw Zeeland vertrok. Vorige week kwam ik in een radiostudio, voorafgaand aan een van de vele interviews die je hier moet geven, Marilyn French tegen. Ook zij was hier voor het schrijversfestival, en voor haar nieuwste boek Our father. We kregen het over mijn zusje en mij en dat we er nog eentje zouden treffen in Sydney. Het boek van Marilyn gaat over vier zusters die elkaar aan het sterfbed van hun vader ontmoeten, de vader heeft allerlei vreselijks gedaan. Ik vertelde haar dat ik uit een gezin met zeven zusters kom. Ze keek me peinzend aan en ik weet dat wij allebei dachten: een boek. En dat is waar. En ook is het waar dat het mijne dan de tegenpool van het hare zou worden. Wij, zusjes, de krengen, en hij, onze vader, de onschuld, de verstrooide lieveling.

J. komt zo laat aan dat ik niet op haar kan wachten. Om zes uur worden de vier schrijvers 'van overzee' op de uitgeverij ontvangen en daarna moeten wij voorlezen voor publiek. Deze bijeenkomst heet Writers in the Park en ik zie de gazons al voor me. Maar nee: een soort discozaaltje, gekleurd licht en een podiumpje met een dwaas decor. Terwijl ik me aan de m.i. altijd wat onzinnige bezigheid van het voorlezen van je eigen boek wijd, zie ik in het publiek twee familiaire blonde haardossen. J. is gearriveerd. Na afloop weten we niet hoe gauw we gedrieën in een taxi moeten klimmen.

Woensdag

Het regent verdorie! Terwijl M. naar de galerieën gaat, nemen J. en ik een taxi naar de SBS-studio, waar ik in het Nederlands nota bene geïnterviewd zal worden. Belangstellend laten wij ons eerst maar eens rondleiden, hier worden in vierenzestig talen programma's gemaakt. Ook tijdens dit interview blijkt, dat men de compositie en de toon van mijn roman ongewoon vindt. Als mij wordt gevraagd of deze aanpak model staat voor de Nederlandse literatuur, antwoord ik dat Nederland een land is van kooplui en zeevaarders, dat de invloeden op ons velerlei zijn, dat, aangezien ons eigen taalgebied klein is, wij ook belang stellen in boeken van andere volken. De Nederlandse literatuur, mythologiseer ik, is breed. Geen van de schrijvers lijkt op een ander.

's Middags treffen we in de stad zusje drie. Uitkijkend op de El Alamein-fontein in de regen maken we plannen. De zon moet terug. Dan gaan we in het weekend naar de Blue Mountains, vanavond de opera. Om te beginnen dit laatste. We nemen op Kings Cross de metro en komen bij Circular Quai weer boven. Daar ligt, wit, flonkerend in het duister, het droombeeld van de Opera van Sydney. Omdat M. en ik J. helaas niet warm hebben kunnen krijgen voor De Parelvissers gaan wij naar het concert. In het panopticum van licht en ruimte luisteren wij naar het Concert voor orkest van Bartók, en vervolgens naar Mozarts pianoconcert in d kl.t., muziek waaraan ik op mijn zestiende een tijdje op despotische manier verslaafd ben geweest en die wij daarom alle drie wel noot voor noot kunnen dromen.

Donderdag

De wereld bestaat uit verhalen. Het operagebouw van Sydney is een zeilschip. Het bestaat bij de gratie van de verhalen over Captain Cook, die hier in april 1770 voor anker ging. Vanochtend zijn we naar het oudste deel van Sydney gelopen, The Rocks, huisjes, winkeltjes, café Molly Mallone: alles is sinds kort gerestaureerd, het overleeft dankzij de verhalen van de eerste Engelse kolonisten, ter dood veroordeelden vaak. Als wij in het Orient Hotel een pilsje drinken, krijg ik te horen dat hier Australiës eerste bruilofsfeest plaatsvond, met zeven paren, kinderen erbij, tegelijk. Ik knik, kijk rond en verlang naar het boek in mijn hotelkamer, waar ik juist bij Mary Gilmore was die over de dwangarbeiders van die eerste tijd schreef: “Ik ploegde vorm in de woestenij, dit land bestaat vanwege mij.” Die heeft het over literatuur, denk ik, zo concreet als maar kan.

Op de terugweg koop ik een mooie landkaart. Australië ligt bovenaan, dan heb je Indonesië, China en de Sovjet-Unie met rechts, als klein aanhangsel, Europa. De Noordpool ligt onder. Ik kijk er niet eens van op. Zon en maan waren hier al omgedraaid, zomer en winter ook en in de Grote Street in Adelaide mocht ik van geluk spreken niet van de verkeerde kant te worden doodgereden.

Vrijdag

Laat ik vandaag eens wat noteren over het festival van Adelaide, waar ik voor de schrijversweek was uitgenodigd. Hoe zag het eruit? Een glooiend gazon met zon en vlaggen en twee witte tenten, open opzij, waar een talrijk publiek van tien uur 's ochtends tot vijf uur 's middags kwam luisteren, hoeden op vanwege de dunne ozonlaag en de vrouwen in het rood, blauw of gebloemd en niet in dat eeuwige Europese zwart. Wie waren de gasten? Vijftig Australische auteurs en achttien van overzee. Elke schrijver moest twee keer optreden, eerst in een panel met een bepaald thema, dan alleen. Mijn thema was gelukkig niet The Modern Matriarch, of The British Novel, maar Music. Verontrust had ik al opgemerkt dat ook hier veel schrijvers weer zo verdomde grappig waren. Over hun jeugd, hun vak, hun boeken desnoods. De schrijver als entertainer, je ziet het steeds meer.

Ik hield een ernstige lezing over literatuur, die dan wel van een verhaal mag uitgaan, maar toch aan dezelflde abstracte wetten gehoorzaamt als muziek. Hierna zeiden een Australische librettoschrijver en een dichteres die pianiste was geweest het hunne, en vervolgens was er discussie. Zeer warm op het podium. Een vlieg op mijn neus. Scherp formuleren in het Engels. Dit publiek is werkelijk ongewoon. Niet alleen zijn ze in dit gezeefde licht bijzonder mooi, ook lopen ze onbevangen naar de microfoon om vragen te stellen. “Keep them short and brilliant”, is ze tevoren gezegd. Een man confronteert ons met het volgende citaat van Schönberg: “Art must be cold.” Daar zou je toch uren aan kunnen wijden? De middag duurde van twee tot vier. Niemand liep weg.

By the way: vandaag zijn mijn zusters en ik met het veer door de havens van Sydney gevaren. We kwamen uit bij Manly, staken over en zwommen in de Stille Zuidzee.

Zaterdag

De tweede keer moest ik dus alleen. Alleen? Een duchtige vrouw, Lolo Houbein genaamd, van oorsprong uit Zaandam, introduceerde mijn boek bij het publiek, toch al gauw zo'n driehonderd man. Vol autoriteit hamerde zij er bij de mensen in dat het hier om een meesterwerk ging. Deze toon eenmaal gezet, was het aan mij om vragen te beantwoorden. En opnieuw, wat een welwillendheid bij de boekenliefhebbers! Verrast hoorde ik meer dan eens ook uit mijn tent een klaterend gelach opstijgen, en applaus. Na afloop was het signeren. Bij de boekentafel stond een hele rij de totaal onbekende Nederlandse auteur op te wachten.

Overigens: vandaag hebben mijn zusters en ik de trein naar de Blue Mountains genomen. Óf we het land hebben gezien! Omdat er aan de rails werd gewerkt zijn we halverwege de reis urenlang in een bus rondgereden. Tegen de avond stapten we in een willekeurig bergdorp uit, Blackheath, en namen in een willekeurig hotel onze intrek. Beetje shabby, met serres en lounges, en een grote kroeg waar men biljartte, dronk, maar vooral betrokken was bij twee tegenover elkaar opgestelde televisies. Op de één rugby, op de ander paardenraces. Via drie sporen kon ik weer eens volgen hoe feiten in woorden veranderen: het gebrom van de kroeglopers, en daarbovenuit de twee scherpe, geoefende en, volkomen in de pas met de spanning van de echte gebeurtenissen, steeds hoger intonerende stemmen van de sportcommentatoren.

's Avonds brandde er vuur in de eetzaal. Bij een oude piano werd gezongen. Wij deelden een tafel met drie supermonteurs die zojuist een metaalfabriek van Kuala Lumpur naar Sydney hadden verplaatst.

Zondag 13 maart

Er waren eens zeven zusters. Zij wilden, net als de mannen van hun stam, allerlei ellende ondergaan voordat ze trouwden. De reden was: bewijzen dat hun geest niet door hun lichaam werd getiranniseerd. De stamoudsten luisterden naar de meisjes, vonden het wel wat en bedachten toen een streng ritueel van honger en pijn...

Het stormde vannacht in Blackheath. Rond onze ramen klonk gehuil, de ruiten rammelden. In je halfslaap denk je dan: waar ben ik en wat doe ik hier? Maar als wij opstaan is de hemel blauw. Dus dat wordt wandelschoenen aantrekken, en rugzakjes met water, en liften naar het begin van de route die wij ons gisteren hebben voorgenomen. Diep omlaag, de Grand Canyon in, kijken naar metershoge bergwanden, arenden zien, papegaaien, riviertjes doorwaden, op rotsblokken balanceren, griezelige oversteken maken, watervallen en duistere tunnels trotseren en vooral de weg niet kwijtraken, maar na een vreselijke klim bij Neates Glen weer boven komen.

Terug in Blackheath hebben wij het koud. We gaan een café annex uitdragerij in, waar tussen de postkoloniale rotzooi een lekker haardvuur brandt. We trekken stoelen bij, bestellen en worden dan aangesproken door een oude, Aboriginaalse vrouw, “Where are you from, love?” Vraag aller vragen. Wij komen uit Nederland, ja, drie zusters, nee, eigenlijk nog meer, eigenlijk zeven zusters. Zij begint te vertellen:

...stokken die hun tanden uitstaken, stokken door hun neus, dunne messen over hun borsten, insekten over hun hele lichaam, slapen in het donker met enge geluiden en enge liederen vanuit de bush. Pas na jaren mochten ze terug naar hun dorp. Daar werden ze door de hele stam begroet, maar ook de goden waren present. Ze roofden de meisjes weg en plaatsten ze hoog aan de hemel in de constellatie van de Pleiaden.

Slaperig, en aangeschoten, lopen we naar ons hotel terug. Morgen naar Sydney, en dan naar huis. De wereld-en-omstreken bestaat uit fictie.