Het oog van de meester vergist zich niet

Negenennegentig keer gaat hij voor niets op pad, één keer is het bingo. Frans Bouwmeester was scout bij Willem II en is sinds kort scout bij Feyenoord. Morgen spelen de clubs tegen elkaar in Tilburg. De balartiest van weleer over zijn jacht op voetbaltalent met karakter.

HAASDONK, 19 MAART. Het veld van FC Red Star in Haasdonk, afgelopen woensdagmiddag. De jeugdinterland België - Nederland is nog geen tien minuten oud als Frans Bouwmeester opmerkt dat de vijftienjarigen van Oranje het “knap moeilijk” zullen krijgen. “Let eens op de keepers”, zegt hij, “die van België heeft uitstraling, hij is zelfverzekerd. Die van Nederland is een twijfelaar. Je ziet zo dat hij fouten gaat maken.” Het oog van de meester vergiste zich niet. Het werd 4-2 in het Vlaamse dorp.

Niet alleen de doelman stelde teleur, er mankeerde veel méér aan de nationale beloften. “Alles gaat door het midden”, mompelt Bouwmeester net voor de rust. Veel eerder stelt de scout vast dat de centrale defensie slecht is georganiseerd. Maar de voetbalkenner verbindt er geen snelle conclusies aan. Uit zijn mond verneem je niet dat deze selectie later geen toppers zal voortbrengen. “Toen Van Gobbel, Vink, Overmars, Roy en De Goeij op die leeftijd in Jong Oranje speelden”, herinnert hij zich, “hoorde je trainers en andere experts iets roepen van: 'het wordt niks met deze lichting, er zit geen kracht in'. Ze hebben zich lelijk verkeken, want al die mannen spelen nu bij een topclub of in het buitenland. Vijftienjarigen zitten in een overgangsperiode, ze zijn op weg volwassen te worden. Dan moet je voorzichtig zijn met je oordeel.”

Handen in de zakken, kraag omhoog, staand tussen het gewone voetbalvolk. Verscholen bijna volgt Bouwmeester de wedstrijd. Een talentenjager hoeft niet zo nodig op te vallen. Hij is niet populair bij clubbestuurders, die hem als een potentiële rover zien. Bescheiden als hij is, houdt de 54-jarige Bouwmeester zich sowieso het liefst op de achtergrond. In de tien seizoenen dat hij het speurwerk doet is hem dat aardig gelukt. Maar bij zijn overgang van Willem II naar Feyenoord, begin dit jaar, was enige publiciteit onvermijdelijk, met name omdat de Tilburgse club alsnog een ton claimde voor zijn transfer.

De Brabantse vereniging treurt om zijn afscheid en dat is geen wonder. Want Bouwmeester heeft niet alleen een uitzonderlijk goede neus voor begaafde spelertjes, hij bezorgde Willem II een kapitaal dank zij de verkoop van zijn ontdekkingen Overmars en Van Gobbel. Hoe hij dat tweetal ooit naar Tilburg haalde, kan Bouwmeester zich nog precies heugen. Overmars had hij al in het vizier toen de huidige Ajacied als zestienjarige bij Go Ahead speelde. “Marc was een ventje met beleving, hij had snelheid en hij wilde de beste zijn. Een winner, ik viel direct op hem, de klasse droop eraf. 'Meteen kopen', riep ik tegen trainer De Visser en het bestuur. Als ze slagvaardig waren geweest, hadden ze Overmars voor één ton gekregen. Ze aarzelden, Marc tekende in Deventer bij en kostte drie maanden later een half miljoen. Nog een koopje, al zat er een risico aan. Hij was natuurlijk piepjong.”

Ulrich van Gobbel, nu een gewaardeerde Feyenoorder, kende Bouwmeester nog uit zijn NAC-tijd. “Op een avond belde hij me op”, weet de scout nog. “Hij had problemen. Ik wil niet zeggen dat hij als donkere jongen werd gediscrimineerd, maar het publiek in Breda mocht hem niet. Dat bleek ook vorige week bij NAC-Feyenoord, waar hij voor rot werd gescholden. Ik zag veel in hem, omdat hij fanatiek was, van zich af beet en de duidelijke wil had om als prof te slagen. Nu benut hij zijn capaciteiten uitstekend, maar voor het zover was hebben eerst ik en later Van Hanegem lang op hem moeten inpraten. Hij liep veel te veel met de bal, rende zichzelf voorbij.”

Bouwmeester onderhoudt nog steeds contact met Van Gobbel en Overmars. Met name voor de eerste is hij een vertrouwensman. “Overmars”, legt hij uit, “is clever genoeg om zijn financiën keurig te regelen. Van Gobbel heeft daarbij hulp nodig. Uli heeft nooit een cent bezeten. Nu komt hij ineens met tonnen, wie weet miljoenen in aanraking. Toen ik hem vertelde dat hij een accountant nodig had, wist hij niet eens wat dat was. 'Zo'n man kost je jaarlijks een paar duizend gulden', zei ik tegen hem. Hij schrok zich het lazarus. Ik heb gezorgd dat zijn geld voor vijftien jaar vast staat. Daar moppert hij wel eens over, maar later zal hij daar blij om zijn. En dan is het bedrag door de rente ook nog eens verdubbeld. Had hij al die poen op de bank, dan was het zo verdwenen.”

Een financiële vergoeding wil Bouwmeester naar zijn zeggen voor die assistentie niet hebben. Zijn eigen inkomen noemt hij hoog genoeg, zeker nu hij naar Feyenoord is gepromoveerd. Bovendien heeft hij zijn zaak (een vorkheftruck-verhuurbedrijf) een jaar of tien geleden goed verkocht en bezit hij nog 'spaarcenten', overgehouden aan zijn carrière als voetballer: “Dertig à veertig mille”, legt de fameuze dribbelaar van weleer uit, “kreeg ik op het laatst bij Feyenoord. Exclusief premies. Dat was in 1966, toen een pilsje nog 45 cent kostte.”

Een goede scout is eigenlijk kapitalen waard, weet Bouwmeester, en hij verwijst naar Willem II: “Negen van de achttien selectieleden komen door mijn inspanningen uit de eigen kweek.” De oogst had volgens de kleine Bredanaar, die op zijn zestiende verjaardag bij NAC in de eredivisie debuteerde, nog groter kunnen zijn “als trainer en bestuur beter naar me hadden geluisterd”. In dezelfde week dat hij Overmars naar Tilburg lokte, had hij ook Arthur Numan (nu PSV) kunnen strikken. “Numan volgde ik vanaf zijn dertiende”, vertelt Bouwmeester. “Echt een talentje. Toen hij in het tweede van Haarlem voetbalde, droeg ik hem voor. Trainer Koster van Willem II ging eindelijk eens met me mee om hem te bekijken. Uitgerekend die éne keer stelde Arthur teleur. Daar heb ik wakker van gelegen. Numan-Overmars, die prachtige combinatie was net zoiets geweest als Bouwmeester-Moulijn, vroeger bij Feyenoord.”

Als scout is hij gehard door tegenslagen. O zo dikwijls levert zijn bezoek niets op. Negenennegentig van de honderd keer, schat Bouwmeester, die dagelijks op pad is. “Van de week reed ik 470 kilometer om twee talentjes te bekijken. 'Het zijn hele goeie', was me verzekerd. Na vijf minuten zat ik weer in de auto. Ze hadden een verkeerde stijl, geen goede balcontrole en ze namen veel te grote stappen. Als je in één jaar twee uitblinkers ontdekt, dan is het veel.”

Hij let overal op, ook op de lichaamsbouw. “Dat is gemakkelijker dan vroeger. Tegenwoordig kan een dokter perfect voorspellen hoe groot iemand wordt. Ik geef de voorkeur aan kleinere spelers, met veel techniek. Die winnen het altijd van de groten. Ten minste op het middenveld en in de aanval. Voor achterin moet je kerels hebben met uitstraling, atleten met een steviger lichaam.”

Even belangrijk is volgens Bouwmeester het doorzettingsvermogen: “Beleving moet een voetballer hebben, honger naar de bal. Momenteel vinden jeugdcoaches twee trainingen per dag al te veel. Belachelijk. Ik liep vroeger dagelijks vier uur op het schoolplein te kaatsen.”

Gevoel voor eigenwaarde telt in de ogen van Bouwmeester ook bijzonder zwaar. “Spelertjes van Ajax en Feyenoord hebben meer bluf dan mannen uit de provincie. Dat verander je nóóit. 'Jongens, kijk niet op tegen die Amsterdammers of Rotterdammers', heb ik vaak geroepen als ik eens een elftal leidde. Ze deden het toch, zo begonnen ze een wedstrijd al met een achterstand. Als Brabander had ik dat complex zelf niet, althans niet als voetballer. Bij Feyenoord trok ik op het veld en in de kleedkamer mijn grote bek open. Elders durf ik dat minder. Laatst kreeg ik ergens langs de weg bij Arnhem verschrikkelijk slecht te eten. Voor veel geld. Ik sloop dat restaurant uit, mijn vrouw ging op hoge poten met de rekening naar de kassa. Ze weigerde te betalen - ze is Rotterdamse. Dat voorval houd ik tegenwoordig jonge jongens voor. Je moet opkomen voor jezelf, karakter tonen, anders kom je er niet, ook al heb je nog zoveel talent.”