Giraffe

Het is altijd een lekkernij voor de statistici, zo'n overwinning als die van Karpov in Linares. 11 uit 13, 2,5 punt voor op de achtervolgers, in een gezelschap van superkrachten. Hoe ver moeten we teruggaan in de geschiedenis om zoiets te vinden? De gedachten gaan naar Londen 1883, waar Zukertort drie punten voor was op nummer twee, Steinitz. Aan dat toernooi is het verhaal verbonden dat er op het slotbanket een toast op de wereldkampioen werd uitgebracht, en dat zowel Steinitz als Zukertort toen opstonden om het eerbetoon in ontvangst te nemen. In Linares had men dit grapje ook kunnen uithalen, maar de goede smaak verbood dat. New York 1927 (Capablanca 2,5 punt voor op Aljechin) en San Remo 1930 (Aljechin 14 uit 15, 3,5 punt meer dan Nimzowitsch) waren ook niet mis. In 1948 won Botwinnik het toernooi om het wereldkampioenschap met drie punten voorsprong op nummer twee, Smislov. Het is altijd moeilijk om prestaties van vroeger met die van nu te vergelijken. Maar er is iets dat uitgerekend kan worden: de beste toernooiprestatie sinds de invoering van de Elo-rating in 1970. Ik denk dat Karpov in Linares een record gevestigd heeft, en dat het lang zal blijven staan.

Hij zal zelf de eerste zijn om te zeggen dat hij op Kasparov eigenlijk 3,5 punt voor moest staan, omdat die tegen Judit Polgar een blunder zou hebben gemaakt en toen valselijk zijn zet zou hebben teruggenomen. Het is niet verwonderlijk dat er ook na het bekijken van de videoband onzekerheid bleef over de vraag of Kasparov zijn stuk echt had losgelaten na de paardzet die hem fataal had kunnen worden. De ervaren schaker weet: je beseft je blunder altijd op het moment dat je net je zet hebt gedaan. Op de film kan het lijken alsof je het stuk nog vast hebt, maar de tegenstander, in het scherp van de strijd met adelaarsblik toegerust, ziet dat het een nanoseconde uit de hand is geweest en roept triomfantelijk: 'Losgelaten!' Timman riep dat eens tegen Larsen, die het vastberaden ontkende en een andere en betere zet deed. Timman won toch en zei na afloop, toen het er niet meer toe deed, dat hij toch zeker wist dat Larsen zijn stuk had losgelaten, waarop Larsen vriendelijk zei: 'Ach, die hele regel is eigenlijk onzin, vind je niet?' Het komt dus in de beste kringen voor, het terugnemen van een zet.

Ook heel indrukwekkend in Linares was de eindsprint van Aleksej Sjirov. Met een half uit drie begon hij en tenslotte deelde hij met 8,5 uit 13 de tweede plaats met Kasparov. Vijfde op de ranglijst van de FIDE is deze 21-jarige Russische Let, achter Karpov, Anand, Ivantsjoek en zijn vriend Kramnik. De 'giraffe' wordt hij door zijn collega's genoemd, omdat zijn naam zo klinkt en omdat hij hoog op de poten staat. Twee jaar geleden zei hij in een interview van Dirk Jan ten Geuzendam in New in Chess bescheiden dat hij zichzelf niet als wereldkampioen kon voorstellen. Zo had Kasparov de wind er toen onder bij de jeugd. Misschien denkt Sjirov er nu anders over, maar hij zit niet in de kandidatenmatches, wat ik jammer vind. Hij heeft vaak woeste partijen met ondoorgrondelijke complicaties. Zijn krankzinnige overwinning op Kramnik uit de twaalfde ronde was daar een mooi voorbeeld van. Maar ik wil iets anders laten zien om een beeld van zijn kracht te geven, het schitterende eindspel dat hij van Ivantsjoek won. Geen woeste complicaties, maar uiterst subtiele techniek. Dat Sjirov naar dit eindspel met ongelijke lopers afwikkelde, getuigt van een haarscherp oordeel. De manier waarop hij het won, gebruik makend van zetdwangposities, was die van een rijp kampioen. Het was misschien de beste partij van dit prachtige toernooi.

Wit Sjirov-zwart Ivantsjoek

1. e2-e4 e7-e5 2. Pg1-f3 Pb8-c6 3. Pb1-c3 Pg8-f6 4. Lf1-b5 Pc6-d4 5. Lb5-a4 Pd4xf3+ 6. Dd1xf3 Lf8-b4 7. Pc3-e2 0-0 8. c2-c3 Lb4-a5 9. h2-h3 d7-d5 10. d2-d3 Lc8-d7 11. La4-c2 d5xe4 12. d3xe4 Pf6-e8 13. g2-g4 Dd8-f6 14. Df3xf6 Pe8xf6 15. Lc1-g5 Ld7-e6 16. Lg5xf6 g7xf6 17. Pe2-g3 Tf8-d8 18. Pg3-h5 Td8-d6 19. Ph5xf6+ Kg8-h8 20. f2-f4 Ta8-d8 21. Th1-h2 c7-c5 Wit heeft een pion gewonnen, maar zwart heeft tegenspel en dreigt 22...Tb6 23. Tb1 Txb2. Wit neemt nu een opmerkelijke beslissing. Hij geeft zijn pion terug, ruilt alle torens en hoopt een eindspel met ongelijke lopers en gelijk aantal pionnen te winnen. 22. f4-f5 Le6xf5 23. e4xf5 Td6xf6 24. Ta1-d1 Td8xd1+ 25. Ke1xd1 Tf6-d6+ 26. Th2-d2 La5-c7 27. Td2xd6 Lc7xd6 28. Kd1-e2

DIAGRAM 1

Hier heeft wit op aangestuurd. Zijn voordeel is duidelijk. Hij dreigt over de witte velden (na door Le4 een keer b7-b6 te hebben uitgelokt) met de koning naar a6 te lopen en een pion te winnen, waarna hij vrijpionnen op twee vleugels zou kunnen creëren, de manier om te winnen in een eindspel met ongelijke lopers. Met zijn koning kan zwart dit net niet op tijd verhinderen, en daarom kiest hij een ander verdedigingsplan. 28...Ld6-e7 29. Ke2-d3 Le7-g5 30. Kd3-c4 Lg5-c1 31. b2-b3 Lc1-d2 32. Kc4xc5 Ld2xc3 33. Lc2-e4 Kh8-g7 Hij moet op de damevleugel een pion verliezen. 34. Le4xb7 Kg7-f6 35. Lb7-d5 h7-h6 Was dit werkelijk nodig om na Ke7 wits g5 te verhinderen? Als deze moeilijke vraag met nee zou moeten worden beantwoord, zou dit een fataal tempoverlies kunnen zijn. 36. b3-b4 Kf6-e7 37. b4-b5 f7-f6 38. Kc5-c6 Net op tijd. 38...Lc3-a5 39. Ld5-e4 In het weekblad Schaaknieuws wijdt Luc Winants een diepzinnige beschouwing aan dit eindspel, waarvan ik hier maar een deel kan overnemen. Hij vergelijkt twee mogelijke stellingen: A. Wit Ka6 Le4 pionnen b7 f5 g4 h5 Zwart Kc7 Le3 pionnen e5 f6 h6. B. Wit Ka7 pion b5, zwart La5, de rest zoals bij A. In geval A wint wit door de doorbraak g4-g5, maar in geval B kan hij niet verder komen, omdat hier g4-g5 slechts tot remise leidt. Stelling B kan wit op simpele manier bereiken, maar daar heeft hij niets aan, hij moet A hebben en dat is veel moeilijker. 39...Ke7-e8 40. Kc6-d6 Heel fraai. Automatisch doorgaan op de damevleugel (Kb7 en a2-a4-a5) zou slechts Winants' stelling B opleveren. Wit moet op twee vleugels spelen. 40...Ke8-f7 41. h3-h4 La5-e1 42. h4-h5 Le1-b4+ 43. Kd6-d7

DIAGRAM 2

43...Lb4-a3 Winants geeft de volgende variant, waarin de clou van het hele eindspel verborgen zit: 43...La5 44. a4 Lb6 45. Ld5+ Kf8 46. Ke6 Kg7 47. Le4 (Zetdwang! De loper moet weg van b6) La5 48. Kd7 Kf7 49. Kc6 Ke7 50. Kb7 (met zwarts loper op b6 zou wit slechts stelling B bereiken) Lb6 51. a5 Lxa5 52. Kxa7 Le1 53. b6 Lf2 54. Ka6 Kd7 55. b7 Kc7 Maar nu heeft wit stelling A en hij wint door g5. 44...Le4-d5+ Kf7-f8 45. Kd7-e6 Kf8-g7 46. Ld5-e4 Weer zetdwang. 46...La3-f8 47. a2-a4 Lf8-b4 48. Ke6-d7 Plicht gedaan aan deze kant, terug naar de andere vleugel. 48...Kg7-f8 49. Kd7-c6 Kf8-e7 50. Kc6-b7 Lb4-c5 51. a4-a5 Ke7-d6 52. b5-b6 a7xb6 53. a5-a6 b6-b5 54. a6-a7 Lc5xa7 55. Kb7xa7 Kd6-c5 56. Ka7-a6 b5-b4 57. Ka6-a5 Kc5-d4 Of 57...b3 58. Ka4 58. Ka5xb4 Kd4xe4 Het materiële evenwicht is hersteld, maar nu komt de doorbraak die zwart voortdurend boven het hoofd hing. 59. g4-g5 h6xg5 59...Kxf5 60. gxh6 zou een mooie slotstelling hebben gegeven. 60. h5-h6 Ke4xf5 61. h6-h7 Zwart gaf op. Een technisch meesterwerk, schrijft Winants en men kan dit slechts eerbiedig beamen.