Fonkelende pensioengelden wachten op verleiding

Elke recessie is het prijs. Op zoek naar middelen om de Nederlandse economie te stimuleren gaan de blikken watertandend richting pensioenfondsen. Fonkelt in hun portefeuilles met honderden miljarden guldens niet het kapitaal waarmee de kwakkelende economie een nieuwe impuls kan krijgen? De aandacht gaat daarbij allereerst uit naar de grote fondsen van de collectieve sector, naar ABP en PGGM. De stille verleiding die van hun depots uitgaat wordt politici - chronisch geplaagd door geldgebrek - bij herhaling te veel. Zuchtend nemen de fondsen dan even afstand van hun rendementseisen en leggen ze het koopkrachtverlies van het verplegend personeel bij, staan ze een deel van de winst af aan het overheidstekort of schuiven ze een bijdrage in het Industriefonds van minister Andriessen.

Intussen neemt met de vergrijzing van de Nederlandse bevolking juist de noodzaak voor een goed renderende, goed geoliede en zelfstandig opererende pensioenbranche toe. Het koopkrachtverlies dat AOW'ers lijden, illustreert het belang van de burger om vooral zelf goed voor de oude dag te zorgen alleen nog maar.

De pensioenfondsen zijn daarom permanent op jacht naar een hoger rendement. Voor hun strategie heeft de speurtocht naar hoge opbrengsten twee ingrijpende gevolgen gehad. Omdat aandelen volgens de beheerders een duurzaam hoger rendement opleveren dan andere beleggingsvormen (met name overheidsobligaties), is de weging van de beleggingen langzamerhand in de richting van aandelen verschoven. Omdat het buitenland vaak betere rendementen biedt, wordt bovendien een groeiend deel van de middelen internationaal gespreid, en dus over de grens belegd. Buitenstaanders zien, kortom, dat 'onze' pensioenfondsen soms liever in General Motors beleggen dan in de Nederlandse industrie. Veel bedrijfspensioenfondsen zijn daar overigens al veel verder in gevorderd dan de fondsen van de collectieve sector.

Die kapitaalvlucht doet pijn. Waarom blijven de pensioenbeleggingen niet gewoon naar het Nederlandse bedrijfsleven toestromen? Het antwoord is simpel: de openbare vraag naar kapitaal is niet omvangrijk en divers genoeg. De totale waarde van de ondernemingen die in Nederland op de beurs genoteerd staan is met 400 miljard gulden aanzienlijk, maar tegelijkertijd klein vergeleken bij het pensioenvermogen. Wanneer alleen al het ABP - met een vermogen van meer dan 250 miljard gulden - de beleggingen in Nederlandse aandelen zou opschroeven, zijn daar al snel zulke grote bedragen mee gemoeid dat er een koersopdrijvend effect van uitgaat. Het fonds zou in feite andere beleggers subsidiëren. Bovendien: wat staat er eigenlijk op de Amsterdamse Effectenbeurs genoteerd? Het grootste beursfonds is de Koninklijke Shell Groep, die slechts een fractie van de activiteiten in Nederland heeft. Dat geldt ook voor mastodonten als Unilever en Philips. De veelbesproken globalisering is, kortom, al zo ver gevorderd dat 'nationaal' beleggen in feite al lang niet meer mogelijk is.

Dit geldt evenzeer voor de staatsschuld, die wordt verhandeld op een wereldwijde markt zonder grenzen. Buitenlandse investeerders hebben een omvangrijk deel van de Nederlandse staatsschuld in portefeuille - vorig jaar kochten ze zeventig procent van de dertigjarige staatslening en deze week werd bekend dat de totale Duitse staatsschuld voor bijna de helft in buitenlandse handen is - en verkopen die belegging zodra de financiële huishouding van de overheid niet meer marktconform is met de globale economie. Het begrip globalisering mag dan op het ministerie van economische zaken recentelijk zijn her-ontdekt, beleggers, pensioenfondsen en niet in de laatste plaats het ministerie van financiën zijn al lang gewend te opereren op de enig werkelijk geglobaliseerde markt ter wereld: de kapitaalmarkt.

De globalisering van het kapitaal is niet zonder gevolgen. Ze dwingt af dat investeringen via de openbare kapitaalmarkt plaatsvinden. Door de noodzaak van hoge rendementen, de openbaarheid van financiële gegevens en de mogelijkheid snel van investering te kunnen wisselen, maken aanbieders van kapitaal zoals pensioenfondsen, noodgedwongen steeds meer gebruik van die openbare en internationale markt om hun beleggingen in bedrijfsleven en staatsschuld te doen. Wegen om meer van dat geld 'in Nederland te houden' - zonder in rigide dirigisme te vervallen - zijn er niet. Maar mogelijkheden om de stromen van internationaal kapitaal ten eigen bate af te tappen zijn er wel.

De truc is om te zorgen dat niet alleen de aanbieders van kapitaal maar ook de vragers van kapitaal gebruik maken van de openbare kapitaalmarkt. In de Verenigde Staten gingen vorig jaar 561 bedrijven naar de beurs. In Nederland was dat er maar één. Een mager resultaat, maar sinds het beursklimaat in Nederland is verbeterd, zijn de vooruitzichten beter. Bij de huidige hoge beurskoersen groeit de animo voor beursnoteringen bij bedrijven en hun private financiers. In financiële kringen is te beluisteren dat er dit en komend jaar in totaal tussen de twintig en dertig ondernemingen naar de openbare kapitaalmarkt gaan. Baggeraar Ballast Nedam is daar een voorbeeld van, en deze week werd bekend dat het handels- en opslagconcern Ceteco een beursnotering aanvraagt. De globale kapitaalmarkt ontpopt zich zo als de noodzakelijke pendant van de globalisering van de markt voor produkten en diensten.

Een beursnotering heeft grote voordelen. De praktijk leert dat genoteerde ondernemingen flexibeler zijn en betere - internationale - expansiemogelijkheden hebben. In plaats van moeizame onderhandelingen met geldschieters kunnen zij snel kapitaal van de markt aftappen wanneer investeringsplannen, herstructureringen of overnames dit noodzakelijk maken. Veel ondernemers schrikken evenwel terug voor een notering omdat ze dan regelmatig moeten laten zien hoe het de onderneming vergaat.

De overheid kan hier nog een zinvolle bijdrage leveren door de vraag op de openbare markt te stimuleren. In het verleden werd het staatschemieconcern DSM al naar de beurs gebracht, en over een paar maanden volgt het kroonjuweel, Koninklijke PTT Nederland. Met enige fantasie dienen de voorbeelden zich alras aan: van de Nederlandse Spoorwegen, waterleiding- en elektriciteitsbedrijven, het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten tot de regionale en stedelijke bedrijven voor het tram- en busvervoer. De nakende beursgang van KPN is wat dit betreft een waardevol experiment: het concern zal moeten aantonen dat een notering op de openbare kapitaalmarkt hand in hand kan gaan met de nutsfunctie.

De Nederlandse pensioenfondsen beschikken over een enorme hoeveelheid kapitaal. De eis dat daarvan een groter deel in Nederland blijft, staat haaks op de globalisering van de economie en ruikt naar financieel protectionisme: om de eigen economie te bevoordelen wordt genoegen genomen met een minder hoog rendement en dus een negatief toekomstig welvaartseffect.

De sleutel tot de oplossing ligt niet bij de aanbieders van kapitaal, maar bij de vragers: het is aan overheid en bedrijfsleven om zich zo aantrekkelijk te maken dat de Nederlandse (en de buitenlandse) fondsen hun middelen binnen onze landsgrenzen beleggen. Alleen op die manier kan de oudedagsvoorziening marktconform - en dus optimaal - in de Nederlandse economie worden geïnvesteerd.

    • Michel Kerres
    • Maarten Schinkel