Europees Parlement is een blok aan het been van Europa

De Europese integratie is binnen korte tijd van de euforie in de malaise terechtgekomen.

Historicus Ronald Havenaar houdt een pleidooi voor afschaffing van het Europees Parlement.

Nog geen tweeëneen half jaar na de ondertekening van het verdrag van Maastricht, in december 1991, blijkt dat de doelstellingen van een Europese Politieke Unie en een Europese Monetaire Unie veel te hoog gegrepen zijn. Achteraf gezien blijkt dit akkoord het onrijpe produkt te zijn geweest van de door het einde van de Koude Oorlog gewekte verwachtingen over een harmonieuze Europese orde en van het Frans-Duitse verlangen om de eenwording van Duitsland in te bedden in een Europees kader.

Inmiddels is duidelijk dat van een ontwikkeling naar een gezamenlijke buitenlandse en defensiepolitiek geen sprake is. Het perspectief van een monetaire unie heeft ernstige schade opgelopen door het door het uit nood geboren besluit om de marges tussen de wisselkoersen drastisch te verbreden (augustus 1993).

Een half jaar na de ondertekening van het verdrag van Maastricht, in juni 1992, verklaarde de Duitse Bondskanselier tijdens een redevoering in Zürich dat Europa federaal zou zijn, of niet zou zijn. Hoewel de Britse regering het Duits-Franse verlangen om deze term in het verdrag op te nemen had geblokkeerd, hield Kohl vast aan zijn streven dat de integratie op afzienbare termijn bekroond zou moeten worden met een besluit van de lidstaten om zich ondergeschikt te maken aan de soevereiniteit van een Europese federale unie. Zelfs in Duitsland zijn er inmiddels nog maar weinigen die deze doelstelling wenselijk achten - en vrijwel niemand meer die haar mogelijk acht.

In Maastricht leek het nationalisme ten grave te worden gedragen. Moeten we nu vaststellen dat het ideaal van de eenheid van de baan is? Waar staat Europa in 1994? Het antwoord op die vraag luidt dat de samenwerking in de Unie de aanblik biedt van een mozaïek waarin de kleuren variëren van helder tot inktzwart.

De economische integratie heeft door de opening van de binnengrenzen op 1 januari 1993 een groot succes beleefd. De tegenslag in de monetaire samenwerking is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de economische recessie en de ongunstige effecten van de hoge Duitse rentestand, die het gevolg is van de kostbare pogingen om de welvaart in de voormalige DDR te stimuleren. De monetaire integratie kan een nieuwe impuls krijgen naarmate deze conjuncturele problemen kleiner worden.

Dat perspectief ontbreekt echter in de defensiesamenwerking. De nationale soevereiniteit komt bij uitstek tot uitdrukking in een eigen buitenlandse en veiligheidspolitiek en het blijkt dat juist op dat terrein de neiging minimaal is om bevoegdheden naar een samenwerkingsverband te delegeren. Het lijkt er zelfs op dat het succes van de economische integratie niet alleen samengaat met het falen van de defensiesamenwerking, maar dat het laatste ook nog door het eerste wordt gestimuleerd. Het zou niet de eerste maal zijn dat het oude adagium als zou vrije handel tot grotere politieke harmonie leiden, onjuist blijkt te zijn. De ontsluiting van de gemeenschappelijke binnenmarkt heeft de angst versterkt voor het verlies van de eigen identiteit en de reactie opgeroepen om de nationale soevereiniteit te cultiveren.

Dit verzet tegen het opgaan in een groter verband blijkt bovendien, anders dan de ondertekenaars van Maastricht verwachtten, ook door het einde van de Koude Oorlog toegenomen te zijn. Die ontwikkeling is niet meer dan logisch: als de lidstaten tijdens deze periode van confrontatie met een externe vijand al niet in staat waren op eigen kracht, zonder de leiding van de VS, een gemeenschappelijke defensiepolitiek te formuleren, hoe is dan te verwachten dat dit na het verdwijnen van de Sovjetdreiging wèl zou lukken? De recente moeilijkheden over de stemverhoudingen in de Europese Raad, die voortkomen uit het verlangen bepaalde beslissingen te kunnen blokkeren, tonen dat de onwil om soevereiniteit af te staan zich niet beperkt tot de veiligheidspolitiek.

Dat de ontwikkeling naar economische grootschaligheid leidt tot het beklemtonen van datgene wat onderscheidt, ten koste van datgene wat bindt, blijkt ook uit de trend naar regionalisering die zich alom in de Europese Unie aftekent. Van België tot Italië en van Spanje tot Duitsland: overal manifesteren zich in toenemende mate aanspraken op regionale zelfbeschikking. Ook deze tendens is door het einde van de Koude Oorlog versterkt, omdat niet alleen de relaties tussen maar ook de verhoudingen binnen de lidstaten de bindende invloed missen van de gemeenschappelijke afweer tegen de Sovjetvijand.

Met deze ontwikkelingen is de opdracht tot Europese samenwerking geenszins minder belangrijk geworden. Maar het wordt langzamerhand tijd om te ontwaken uit het Maastrichtse dromenland en te erkennen dat de Unie op haar best zal bestaan uit overeenkomsten tussen regeringen die gemeenschappelijk voordeel opleveren. Deze akkoorden zullen echter vaak reacties blijven oproepen die voortkomen uit bekommernis om de nationale en reginale identiteit. De diepgewortelde verscheidenheid is niet alleen de bron van de politieke zwakte, maar ook van de traditionele culturele kracht van Europa.

Het ideaal van de federale eenheid heeft na een lange lijdensweg met het verdrag van Maastricht een opleving gekend die even krachtig als kort blijkt te zijn geweest. Deze conclusie is, drie maanden voordat juni de verkiezingen zullen worden gehouden voor het Europese Parlement - het symbool bij uitstek van het federale ideaal - aanleiding om het bestaansrecht van dit instituut ter discussie te stellen. Die verkiezingen worden sinds de jaren zeventig gehouden in de verwachting dat dit parlement ooit nog eens zal uitgroeien tot een volwaardige volksvertegenwoordiging, een orgaan dat uit naam van de soevereine volkswil een regering naar huis kan sturen. Die federale regering zal er echter niet komen, laat staan dat de nationale parlementen ooit nog eens deze bevoegdheid aan een Europees Parlement zullen overdragen.

Er wordt veel geklaagd over het democratische 'deficiet' in de Unie, dat is veroorzaakt doordat de nationale regeringen uitvoerende bevoegdheden hebben overgedragen aan instanties in Brussel die niet bloot staan aan parlementaire controle. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van de Brusselse bureaucratie blijft echter berusten bij het hoogste besluitvormende orgaan van de Unie, de Europese Raad van regeringsleiders. Alleen de nationale parlementen zijn in staat om deze gezagsdragers op effectieve wijze ter verantwoording te roepen.

Het is inderdaad uiterst moeilijk voor de volksvertegenwoordigingen om langs die weg greep te houden op de activiteiten van de Unie, maar die taak kan onmogelijk worden overgenomen door een Europees Parlement dat niet over volwaardige machtsmiddelen beschikt en ook nooit zal hebben.

Het Europese Parlement berust op de illusie van de federale eenwording en belast als zodanig de samenwerking in de Unie, omdat het herinnert aan iets dat niet mogelijk is en dus louter door zijn bestaan aanleiding zal blijven geven tot strijd over de vraag wie daarvoor verantwoordelijk is. Het afschaffen van dit instituut zou de Europese Unie ontlasten van verwachtingen die niet ingelost kunnen worden en die daarom aanleiding blijven geven tot teleurstelling en ontevredenheid. De komende verkiezingen zullen nog meer dan voorheen een oefening worden in zelfbedrog, en dat belemmert het inzicht in wat de Europese Unie is en kan worden. Het zou een zegen zijn voor de Europese samenwerking als de burgers van Europa in juni voor de laatste maal wordt gevraagd zich aan deze ontmoedigende exercitie te onderwerpen.