Esso-directeur kraakt nieuwe milieuwet

BREDA, 19 MAART. Elk bedrijf dat milieugevaarlijke stoffen gebruikt of in bezit heeft kan bij schade met zo'n stof aan het milieu in de omgeving, aansprakelijk worden gesteld zonder dat schuld hoeft te worden bewezen. Althans wanneer minister Hirsch Ballin (justitie) zijn zin krijgt en de Eerste Kamer instemt met zijn wetsvoorstel waarin strenge regels voor aansprakelijkheid zijn vervat.

Tot dusver heeft het collectieve verzet van het bedrijfsleven tegen de voorgestelde regeling geen succes gehad, want de Tweede Kamer heeft vorig jaar ingestemd met het wetsvoorstel, dat volgens de regering voortvloeit uit het Nationaal Milieubeleidsplan van vier jaar geleden.

Stuart McGill, president-directeur van Esso-Benelux, bindt niettemin opnieuw de kat de bel aan. Hij wendt zich tot de Senaat, nu het nog kan. “Houd dit voorstel aan, houd het op de plank, want het is werkelijk het laatste waarop het bedrijfsleven nu, in deze moeilijke tijd, zit te wachten”, is zijn advies. Hij onderstreept een “zeer belangrijk verschil” met andere wetten, omdat wordt uitgegegaan van hoofdelijke (per ondernemer) en gezamenlijke aansprakelijkheid van bedrijven bij milieuschade in de omgeving, zonder dat de overheid hoeft aan te tonen wie de schuldige is.

“Als bijvoorbeeld drie fabrieken naast elkaar aan één watergang liggen die dezelfde stoffen gebruiken en er treedt verontreiniging van het water met die stoffen op, dan hoeven de autoriteiten zich geen zorgen te maken over de schuldige, want ze kunnen elk van de drie aansprakelijk stellen. Dan moeten de onschuldige bedrijven naar de rechter gaan om het tegenbewijs te leveren. Deze voor de overheid makkelijke oplossing dateert uit de jaren '70 toen men heel anders dacht over het industriële klimaat. Sindsdien heeft het bedrijfsleven veel maatregelen genomen om het milieu te beschermen en veiliger te werken. Toch worden in dit plan de succesvolle ondernemingen opgezadeld met enorme lasten.”

McGill erkent dat als de Eerste Kamer besluit tot behandeling van het wetsvoorstel, verwerping in feite de enige mogelijkheid is om de dreiging af te wenden, omdat deze Kamer geen recht van amendement (wijziging) heeft.

De Esso-president is wèl voor een goede wettelijke regeling van de aansprakelijkheid bij milieuschade, maar die zou het bedrijfsleven dan ook een redelijke bescherming moeten bieden en voor heel West-Europa moeten gelden. “Maar dit wetsvoorstel is weer een voorbeeld van overtollige regulering waardoor het ondernemingsklimaat in Nederland wordt gede-stabiliseerd en de concurrentieverhoudingen worden scheefgetrokken. Het effect ervan is dat bedrijven minder zullen investeren dan voor Nederland nu juist nodig is. Op wat langere termijn kan het er zelfs toe leiden dat bedrijven zullen vertrekken naar een land waar de regels minder streng zijn.”

Hoewel de regering zich in de memorie van toelichting beroept op het gevaar “van een in vergelijking met andere landen achterblijvend aansprakelijkheidsrecht”, waardoor Nederland een aantrekkelijk land zou worden om milieugevaarlijke stoffen te dumpen, vindt McGill dat Nederland juist voorop gaat lopen. In zijn contacten met Haagse politici ontmoette hij “een sterke drang tot leadership” op het punt van de milieuwetgeving en de aansprakelijkheid. “Men realiseert zich nog onvoldoende de kostenfactor daarvan, die de concurrentiepositie van het Westeuropese bedrijfsleven ten opzichte van het Verre Oosten en de Verenigde Staten verder aantast. Dat geldt natuurlijk ook voor Nederland binnen Europa. Kijk bijvoorbeeld naar ons bedrijf: de produktie van de Esso-raffinaderij in Rotterdam is voor 50 procent bestemd voor de export.”

Volgens McGill is er voor de Nederlandse wetgever een heel goed alternatief, namelijk aansluiten bij de regeling die de Europese Unie in de maak heeft met haar Groenboek voor milieu-aansprakelijkheid. “Dan krijg je richtlijnen die voor alle lidstaten gelijke voorwaarden stellen, waardoor de concurrentie niet wordt benadeeld. Ik ben ervan overtuigd dat deze Nederlandse wet het doel niet dichterbij brengt: er zal niet meer geld besteed worden aan de bescherming van het milieu. In plaats daarvan zal er veel geld naar advocaten gaan, die namens de bedrijven processen voeren om hun onschuld aan te tonen. Dat is de omgekeerde wereld, het wordt een monstrueuze procesmachine.”

McGill ziet veel overeenkomsten tussen het Nederlandse wetsvoorstel en de Amerikaanse aansprakelijkheidswetgeving, die volgens hem “zeer ineffectief” is gebleken. “Als Nederland dat voorbeeld volgt, krijg het een zeer negatieve impact tegenover de Europese buurlanden, maar ook in vergelijking met Oost-Europa en onze handelspartners buiten Europa.”

    • Theo Westerwoudt