Er dreigt wel degelijk een grote crisis in EU

BRUSSEL, 19 MAART. Theodore Pangalos (55) is minister van Europese zaken van Griekenland, dat het roulerend voorzitterschap van de Europese Unie vervult. Dagen en nachten achtereen heeft hij zich in Brussel in een eindeloze reeks tweegesprekken tot het uiterste ingespannen om zijn gesprekspartners met redelijke argumenten te overtuigen. En als voorzitter van de onderhandelingen heeft hij moeten tolereren hoe zijn ongeduldige Duitse collega Klaus Kinkel de teugels naar zich toe trok en in soms grove bewoordingen dwarsliggers onder druk zette om Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk aan boord te kunnen hijsen als nieuwe EU-lidstaten.

Maar nu blijkt de voorgenomen uitbreiding van de Europese Unie per 1 januari volgend jaar een grote vergissing, één groot misverstand te zijn - zo vindt Pangalos zelf. De EU had er beter aan gedaan om eerst intern orde op zaken te stellen, om eerst de onderlinge samenwerking hechter te maken alvorens, zo tegen het eind van het decennium, nieuwe leden toe te laten, aldus de minister deze week, nadat hij nauwelijks was teruggekeerd op Griekse bodem.

Is Pangalos gek geworden? Of heeft hij eigenlijk gelijk? De voorgenomen uitbreiding met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk heeft in elk geval al voor diepe scheuren gezorgd binnen de EU, nog vóór het Europese parlement over alle teksten van de akkoorden heeft beschikt. Groot-Brittannië en Spanje dreigen zonder pardon een institutionele tijdbom tot onploffing te brengen met hun weigering om ook maar iets van hun stemgewicht prijs te geven in een uitgebreide Unie. Major kan bijna geen kant op, opgejaagd als hij wordt door de Euro-sceptici in eigen gelederen en door de media die niet nalaten om te herinneren aan de gloriedagen van premier Thatcher die in haar eentje de rest van Europa op de knieën dwong in het debat om de teruggave van contributiegelden.

En op het continent zelf toont de vertrouwde Duits-Franse as de laatste dagen tekenen van oververhitting, na de controversiële uitspraken van de Franse ambassadeur in Bonn over de al te assertieve rol die Duitsland in Europa zou willen spelen. Ook elders stak het wantrouwen de kop op. “Duitsland wil de uitbreiding van de EU zo snel mogelijk rond hebben om vervolgens de slag naar Midden- en Oost-Europa te slaan”, zo interpreteerde deze week de Nederlandse minister Kooijmans van buitenlandse zaken in Brussel de gedrevenheid van Kinkel.

Hoe nu verder met de uitbreiding? Diplomaten in Brussel hebben geen idee hoe de patstelling over de 'blokkerende minderheid' bij het nemen van besluiten - 23 of 27 stemmen binnen de EU - aanstaande dinsdag kan worden opgelost, als de minister van buitenlandse zaken uit de twaalf EU-lidstaten opnieuw bijeenkomen. Er circuleren wel formules, waarbij de besluitvorming bijvoorbeeld twee maanden wordt opgehouden om alsnog consensus te bereiken, maar die lijken vooralsnog weinig kans van slagen te hebben.

Er dreigt dus wel degelijk een levensgrote crisis, en daarmee lijkt Pangalos slechts meer gelijk te krijgen. Beter ware het geweest indien de EU zichzelf wat meer tijd had gegund om het Verdrag van Maastricht te 'verteren'. Ook de Europese Commissie vond dat eerst moest worden gesproken over 'verdieping' en dan pas over uitbreiding, maar de Europese regeringsleiders besloten anders op hun top in Lissabon in de zomer van 1992, zo herinnerde zich gisteren plotseling een woordvoerder van de Commissie toen hem gevraagd werd naar een reactie op de uitlatingen van Pangalos.

Dat besluit in Lissabon had alles te maken met de verbijsterende uitkomst van het eerste Deense referendum in het voorjaar van 1992. De plannen van Commissie-voorzitter Delors om “een politieke, intellectuele en institutionele schok” te veroorzaken met een rapport over de consequenties van uitbreiding van de EU, werden ijlings in de vergetelheid gedrukt. Niemand had nog behoefte aan een schok. Daarvoor in de plaats kreeg Groot-Brittannië alle steun voor zijn pleidooi om de onderhandelingen over uitbreiding zo snel mogelijk te beginnen, zonder eerst een discussie te voeren over institutionele aanpassingen. Voor Londen geldt: hoe groter de Unie, hoe vrijblijvender de samenwerking.

Het opmerkelijke is dat Groot-Brittannië die institutionele discissie nu zelf uitlokt door zijn positie als grote lidstaat extra benadrukt te willen zien, en daarmee de eigenlijke uitbreiding dreigt te blokkeren. Dat laatste is precies de reden waarom Duitsland zijn kruit droog houdt en best wil wachten tot de intergouvermentele conferentie van 1996 om zijn claim voor meer gewicht in de Europese ministerraden op tafel te leggen. Bonn wil eerst de uitbreiding veilig stellen, en kan vervolgens rustig achterover leunend de stelling poneren dat tien stemmen voor tachtig miljoen inwoners eigenlijk wel wat karig bedeeld is, in vergelijking met de tien stemmen die bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland ieder hebben voor de bijna 58 miljoen inwoners in hun land.

Aan Pangalos - de man van de foute beslissing - de taak om volgende week alsnog een uitweg uit de impasse te zoeken. Met de hulp van de altijd bereidwillige Kinkel natuurlijk.

    • Wim Brummelman