Een pennemesje

In het laantje van het Museumplein, tussen het monument voor de Vrouwen van Ravensbrück en de Bijbelkiosk, onder de bomen, staan een paar bankjes die, als je de sculptuur van Serra en het lawaai van de auto's wegdenkt, je de illusie geven dat je in de vorige eeuw bent gaan zitten - 's zomers tenminste, als het lekker weer is. Vorig jaar, op een mooie zondagochtend was ik op zo'n bankje terechtgekomen. Na een poosje ging er iemand naast me zitten. Geen zin in praatjes hebbend deed ik of ik er niets van had gemerkt, maar degene die me gezelschap was gaan houden wilde de aandacht op zich vestigen. Eerst met het opsteken van een sigaret en daarna met een mechaniekje dat een schuivend en klikkend geluid maakte. Toch even opzij gekeken. Ik zag een rechterhand die een mesje vasthield, geen 'stiletto' waarvan het lemmet na een druk op de knop tevoorschijn springt maar zo'n vlijmscherp huisvlijtmesje van Japans fabrikaat, om papier te snijden of je potlood te slijpen. Als de punt bot is geworden kun je er een reepje staal afbreken en het snijden gaat weer alsof de krant van boter was. Het stalen gedeelte, helemaal uitgeschoven, is wel een centimeter of tien lang. Ik schatte de eigenaar van dit apparaatje op een jaar of zestien en ik kreeg de indruk dat hij deze zondagmorgen erop uit was getrokken om een ouwe zak te imponeren. Daar was hij verder ook helemaal op aangekleed.

Wat doe je in zo'n geval? In deze tijd is daarvoor een combinatie van tegengesteld gedrag gegroeid, die bestaat uit geen krimp geven en capituleren. Ik liet hem dus nog een paar keer schuiven en wandelde achteloos naar de Van Baerlestraat waar meer mensen waren dan in de richting van het Rijksmuseum en het monument tegen de kernraket. Intussen hield ik mezelf voor dat ik naast een gewone zenuwpees had gezeten die ook wel met zijn sleutelbos had kunnen rammelen. Maar toch: de aanblik van zo'n uit- en inschuivend vlijmscherp mesje heeft iets van terreur. Misschien, dacht ik toen, zal ik er een stukje over schrijven, maar ik zag ervan af want ik hoorde alweer het commentaar: je tilt er te zwaar aan, je moet niet zo mopperen, dat was vast en zeker een brave jongen die altijd zijn potloden slijpt of leerzame stukken uit de krant snijdt. Die uit- en inschuifbewegingen zitten gewoon in zijn moderne vingers.

In New York, waar ik dit schrijf, keek ik naar het televisienieuws dat behalve de grote zaken ook altijd een paar faits divers bevat. “Weer een nieuwe gewoonte”, zei de presentator met een wat lacherig gezicht. “U kunt het geloven of niet, maar steeds meer mensen sturen tegenwoordig geld aan seriemoordenaars die in de gevangenis zitten.”

Ik geloofde het zonder moeite. In Beverly Hills is deze week de tentoonstelling van de bekende schilder John Wayne Gacy gesloten. Sommige doeken hebben twintigduizend dollar opgebracht. “Gacy? Gacy?” zal de lezer misschien denken. “Waar heb ik die naam eerder gehoord? Is dat een schilder?”

Hij is schilder gewòrden; hij is begonnen als seriemoordenaar en in die hoedanigheid heeft hij in Chicago en omstreken 33 jongens en mannen vermoord. In de gevangenis is hij met verf en penseel aan het werk gegaan. “Hij kon beter moorden dan schilderen”, zei een bezoeker van de tentoonstelling. Maar toch: twintigduizend dollar voor een doek.

Hier komen we op het terrein van de tegenwerpingen. Hitler schilderde ook en er zijn gekken die een klein vermogen voor een paar vierkante decimeter uit zijn oeuvre hebben betaald. Verder moeten we niet vergeten dat er een groot verschil is tussen een massamoordenaar en een seriemoordenaar. Als Landru en Jack the Ripper picturaal begaafd waren geweest hadden hun doeken nu wel ergens aan de muur van een liefhebber gehangen. “Kijk, daar hangt mijn Landru”, hoor je de gastheer tegen het bezoek zeggen. Moordenaars hebben nu eenmaal iets fascinerends.

Toevallig heeft The Village Voice van deze week daarover een reportage. Er zijn tegenwoordig niet alleen mensen die de seriemoordenaars geld sturen en anderen of dezelfden die hun schilderijen kopen (Gacy maakt voorstelligen van de goedkoopste onbeholpenheid); je kunt nu ook lid worden van een club die deze mensen bewierrookt en je abonneren op een tijdschrift dat allerlei kwasi-uitleg aan hun leven en werken geeft. Het is een serieus artikel in de Voice, vrij van de politiek correcte acrobatiek die van tijd tot tijd dit weekblad dwars zit.

Ik heb het niet uitgelezen, en als ik het wel had gedaan zou ik deze nu ongelezen rest hier niet hebben naverteld, want wat schiet een Nederlandse lezer ermee op als hij zich uit de tweede hand alles over de bewonderaars van een Amerikaanse seriemoordenaar laat vertellen. En wat is trouwens het verband tussen zo'n misdadiger en de jongen die toevallig naast me met zijn pennemesje aan het oefenen was?

Daarvoor zou ik ook niet meteen een sluitend bewijs weten te leveren. De enige aanwijzing die ik ervoor heb is dat ik een afkeer voelde van een paar supporters, zoals ze op een foto in de Voice werden vertoond, met hun arrogant-stompzinnige gezichten, omringd door hun necrofiele snuisterijen; dezelfde afkeer die dat jongetje met zijn mesje en zijn overdadige uitdossing me bezorgde. Aanhangers van moordenaars of snotneuzen met een scherp voorwerp: het is dezelfde axiomatische, hersenloze bewondering voor terroristisch geweld. In hun nederigheid daarvoor ligt de overeenkomst.