Deel geweld Z-Afrika heeft niet 'zomaar' plaats

PRETORIA, 19 MAART. Na drie jaar van onderzoek is de onafhankelijke onderzoekcommissie van rechter Richard Goldstone de 'Derde Macht' in Zuid-Afrika dichter dan ooit genaderd. Met het blootleggen van een netwerk dat opereerde binnen de Zuidafrikaanse politie, Inkatha en de politie van het thuisland KwaZulu kan Goldstone voor het eerst aantonen dat een deel van het geweld tussen zwarte groepen in Zuid-Afrika niet 'zomaar' plaatsheeft. Het rapport dat hij gisteren op een gezamenlijke persconferentie met president De Klerk presenteerde, bevat sterke aanwijzingen dat het 'politiek geweld', waarbij duizenden doden zijn gevallen, zijn regisseurs heeft.

De bewoners van de zwarte townships wisten het altijd al. De mensen die vanuit rijdende auto's op straat werden neergeschoten, of de bendes die met automatische geweren de forenzentreinen binnenstapten en reizigers neermaaiden - dat kon geen toeval zijn. Het ANC en mensenrechtengroepen geloofden heilig dat het geweld door een Derde Macht was georganiseerd. Het zou om rechtse elementen gaan binnen de politie en het leger, die erop uit waren het land te destabiliseren om zo de overgang naar democratie te frustreren. Kranten kwamen soms met onthullingen in de buurt, Goldstone leek in zijn onderzoeken naar geweldsincidenten het komplot te naderen, maar het bewijs ontbrak.

Het wachten was op 'Q'. Zo noemt Goldstone in zijn rapport de politieman, die twee maanden geleden via een buitenlandse diplomaat bij hem terechtkwam en met zijn verhaal het deksel van de put lichtte. Een team van Goldstones eigen rechercheurs en twee majoors van de politie die Q zelf had aangewezen, zetten het onderzoek voort. Het leidde uiteindelijk tot een aantal spectaculaire onthullingen, die president De Klerk gisteren ertoe dwongen drie topmannen van de Zuidafrikaanse politie en dertien agenten in lagere rangen op non-actief te stellen. Q heeft zes weken voor de verkiezingen een politiek schandaal het licht doen zien, dat 'Inkatha-gate' van juli 1991 - waarbij bekend werd dat de Zuidafrikaanse regering in het geheim fondsen had verstrekt aan de Zoeloe-partij Inkatha om het ANC te bestrijden - doet verbleken.

In de onthullingen van Q duikt Vlakplaas weer op. Deze beruchte politiebasis werd in de jaren tachtig gebruik om Askari's op te leiden - 'omgeturnde' ANC-guerrillastrijders die onder andere werden gebruikt om anti-apartheidsactivisten uit de weg te ruimen. Unit C10, die onder bevel stond van kolonel Eugene de Kock, was vanaf 1989 betrokken bij geweld “gericht op de destabilisering van Zuid-Afrika”, aldus het rapport. Dat hield onder andere in het organiseren van geweld in de treinen en het epidemische geweld tussen bewoners van de hostels (arbeiderspensions) en de townships. Luitenant-generaal Basie Smit en generaal-majoor Krappies Engelbrecht zouden de operaties leiden, terwijl luitenant-generaal Johan le Roux er alles van af wist.

Tot achttien maanden geleden produceerde de groep zelf-gemaakte vuurwapens, op een terrein ten oosten van Johannesburg. Die wapens werden doorgespeeld aan de Inkatha-leiders Themba Khoza, voorzitter van de regio Transvaal van Inkatha, en Victor Ndlovu. Andere leden van Unit C10 werden na het opheffen van de Vlakplaas-basis overgeplaatst naar andere onderdelen van de politie, en sommigen werken volgens het rapport nog steeds in doodseskaders. Ze werkten allen met valse paspoorten en identiteitspapieren.

In een memorandum dat hij de commissie begin maart overhandigde, kwam Q met meer details. De wapens die Inkatha via de politie-generaals kreeg waren om het geweld aan te steken. Bovendien kregen Inkatha-leden training in het gebruik van wapens en handgranaten. Ook werden wapens uit Namibië en Mozambique ingevoerd, die in zwarte zakken aan de Inkatha-leiders werden overhandigd. Toen de politie Themba Khoza met sommige van de wapens in zijn auto bij een wegversperring aanhield, betaalde Unit C10 zijn borgtocht en juridische kosten. Q noemde ook specifieke activiteit van doodseskaders, zoals de moord op vier ANC-leden en één Inkatha-lid nabij Nelspruit in maart 1992. De leider van die groep zou kolonel De Kock zijn geweest, die de spil lijkt in de hele operatie. Behalve Unit C10, waren ook politiemannen in Durban en het toenmalige hoofd van de politie van KwaZulu, generaal Jac Buchner, bij het komplot betrokken. Buchner was direct verantwoording schuldig aan Mangosuthu Buthelezi, de eerste minister van KwaZulu en leider van Inkatha.

De betrokkenen ontkenden tijdens verhoren door de Goldstone-commissie een groot deel van de aanklachten, maar andere politiemannen kwamen in getuigenissen onder ede met nieuwe aantijgingen van wapensmokkel en moord. Kolonel De Kock zou meermalen hebben verklaard dat hij zijn overwicht over twee van de generaals te danken heeft aan zijn kennis van duistere praktijken in het verleden, zoals de moord op een anti-apartheidsactivist en diens familie in de jaren tachtig in Botswana. Zo rijst uit het rapport het beeld op van een wereld in schemerduister, van moord, leugen en bedrog met politieke bijbedoelingen.

De commissie wijst er in haar conclusies op dat de betrokkenen nog niet schuldig zijn verklaard: het betreft vooral sterke aanwijzingen (prima facie evidence). Goldstone heeft de regering opgeroepen zo snel mogelijk “elementen in de Zuidafrikaanse politie en de politie van KwaZulu te neutraliseren”, om verder geweld voor en vlak na de verkiezingen van eind april te voorkomen. Hij heeft ook leden van de Zuidafrikaanse politie die meer weten gevraagd met bewijzen te komen, en stelt voor hun amnestie te verlenen.

Voor president De Klerk had Q niet op een slechter moment kunnen opdagen. Hij is in een moeizame verkiezingscampagne verwikkeld, waarin hij zwarte kiezers probeert aan te tonen dat het ANC met zijn rol in het geweld vuile handen heeft. Die boodschap zal moeilijk aanslaan, nu Goldstone met sterke aanwijzingen komt dat onder De Klerks bewind hoge politiemannen met ondermijnende activiteit zijn bezig geweest, die vele zwarten het leven heeft gekost. Voor de minister van politie, Hernus Kriel, wordt de campagne er ook niet makkelijker op: hij is kandidaat-premier voor de regio Westkaap - de enige provincie die de Nationale Partij lijkt te kunnen winnen. En Inkatha-leider Mangosuthu Buthelezi wordt dieper in het isolement gedrukt, nu de dubieuze rol van zijn partij in het geweld zo nadrukkelijk wordt uitgelicht.

President De Klerk probeerde de schade te beperken door erop te wijzen dat het “een relatief kleine groep” politiemannen betrof, die er “een eigen agenda” op nahield. Zijn regering zou alle duistere praktijken uit de apartheidsperiode die zij tegenkwam, onmiddellijk hebben opgeruimd. “Ik heb altijd opgetreden tegen ieder misbruik van leger en politie voor politieke doeleinden. Er is geen sprake van nalatigheid van de regering. Ik heb een schoon geweten”, aldus De Klerk. Het ANC zal dat ongetwijfeld anders aan de kiezers presenteren. De verkiezingscampagne in Zuid-Afrika heeft er een beladen thema bij.