De tas en het niets

Het niets besluipt het zijn van achteren. Zoiets schreef Jean-Paul Sartre ergens in 'Het zijn en het niets'. Ik heb dat boek ooit onvermurwbaar uitgelezen, in het Frans, want ik wilde mij toentertijd ontwikkelen, liefst in alles. Verderop werd het trouwens beter. Later begreep ik dat het boek tot in de titel een doodernstige pastiche was van Heideggers 'Zijn en tijd'. Ik ben in die richting niet verder doorgegaan.

Maar nu begrijp ik dat toch beter, van het niets dat nietst. Op het eerste perron in Maastricht miste ik opeens mijn tas, met computer, alle diskettes, aantekeningen en nog het een en ander. Over één schouder had ik een tas met kleren, de andere schoudertas had ik even neergezet om vlak voor mijn vertrek nog wat te kopen voor onderweg op de lange reis naar Amsterdam.

Bang dat een ander voor mijn beurt zou gaan, bevreesd ook om de trein te missen, gespitst op mijn pakje kauwgum, was ik geheel en al in-de-wereld-van-de-kraam en even niet in-de-wereld-van-mijzelf-met-bagage. Tien seconden later was ik weer terug in de wereld van de bagage, maar daar was mijn tas niet meer.

Waar zoëven de tas nog stond, stond nu de niet-tas. De niet-tas stond daar heel helder, stralend haast, in een bijzonder lege leegte, die van het niets dus. Ik zou natuurlijk gewoon kunnen zeggen dat mijn tas daar niet stond, en dat was ook zo, maar dat zou dan inhouden dat die tas ergers anders was. Dat was ook zo, maar ik wist niet waar. Dat bijzondere niets dat zich daar zo aan mij voordeed was dus niet zozeer de leegte van het niet-zijn van de tas, maar van het niet-weten door mij waar de tas was.

Zeg nou toch gewoon, dat je niet wist waar je tas was. Jawel, dat wil ik wel. En ik doe het ook: ik wist niet waar mijn tas was. Maar daar is niet alles mee gezegd, of liever daar is het niets niet mee gezegd. Even, heel even maar, had ik het niet-zijn volledig ervaren. En ik was nog niet eens dood.

Hierop volgde richtingloos heen en weer geloop, de tas werd tegen beter weten in gezocht achter pilaren, onder een bank, aan de schouder van verdachte voorbijgangers. Navraag werd gedaan bij passanten: “heeft u soms iemand gezien met een grijze schoudertas, iemand die...eh?” Iemand die wat? Een onguur iemand aan wie zelfs de eerste de beste passant kon afzien dat die een tas droeg die veel te goed voor hem was. Nee, zo iemand en zo'n tas hadden zij niet gezien. Wèl hadden drie spoorwegarbeiders die op een karretje zaten te wachten tot ze nodig zouden zijn een hun bekend, verdacht persoon zien rondscharrelen, maar nader konden zij hem niet beschrijven en iets speciaals hadden zij ditmaal niet opgemerkt. Ik voelde een woede in mij oplaaien tegen passanten en tegen treinemployés die blind bleven voor dieven en tassen. Het leek wel alsof mijn navraag alleen maar leedvermaak wekte. Ik keek nog eens her en nog eens der, geen tas, maar ook de lege, lichtende niet-tas was niet meer en die tijdruimte werd nu ingenomen door een meisjesknie, een hondekop en een broekspijp met been. Mijn tas was nog steeds weg, hij was nu pas echt weg. Van alle verlies is vermissing het moeilijkst te aanvaarden.

Hoe kon zoiets mij gebeuren? Ik had even niet opgelet en iemand anders wel. Ze hadden getweeën geopereerd, dat stond wel vast. De ene maat moest bij de kraam de aandacht afleiden, de ander, die van een afstandje toezag, kon dan bliksemnsel toeslaan. Ik begon me al te verdedigen tegen betweters die mij zeker zouden voorhouden dat men altijd goed op zijn spullen moet passen en op het station al heleaal. Maar tegen zo'n snelle gris helpt zelfs verhoogde waakzaamheid niet, overwoog ik alvast gepikeerd: ik was in geen enkel opzicht tekortgeschoten. Maar dan stak er in die diefstal toch iets van verdienste, een vleugje vakbekwaamheid, en dat gunde ik hun al helemaal niet. Het kon dus niet anders geweest zijn dan de overmoed van drugsverslaafden die weten dat ze, zelfs op heterdaad betrapt, straffeloos bljven onder het Nederlands gedoogbeleid. Er was een hopeloos ongelijke strijd gaande tussen gewone mensen die wel wat anders te doen hebben dan altoos en eeuwig het bezit dat ze rondzeulen te verdedigen, en aan de andere kant het addergebroed dat het op hun spullen begrepen heeft en in alle rust afwacht tot het zijn kans schoonziet en kan toeslaan.

Intussen had ik de politiepost bereikt en werd ik ontvangen door de goedgemutste en klantgerichte agent van dienst Britsemmer. Hij had kennelijk de tijd, maar hij nam die ook volop om omstandig het proces-verbaal van de vermissing op te maken. Hij typte op zijn hondjes, met twee vingers op de toetsen, zoals agenten dat gewend zijn: een ostentatief onvermogen waarmee zij uitdragen dat kantoorarbeid voor hen maar bijzaak is naast het mannenwerk in de strijd tegen de misdaad. Maar als mijn tas gevonden zou worden, en uitgesloten was dat niet, dan zouden de aangetroffen voorwerpen aan de hand van deze inventaris kunnen worden herkend als mijn eigendom. En bovendien keert de verzekering alleen uit als aangifte gedaan is.

Ik had een trein gemist, een uur verdaan en vervolgde mijn reis, vastbesloten om mij van het verlies verder niets aan te trekken. Dat ik die tas kwijt was geraakt, dat was al erg genoeg, daar ook nog eens verdriet van hebben zou het allemaal nog erger maken. Dat gunde ik bovendien de dief niet. Die sluikredenering volgt het gevoel wel vaker: het is al heel onaangenaam dat iets gebeurd is, als je daar nu ook nog onder gebukt gaat wordt het allemaal nog eens zo vervelend.

Maar als iets erg is, dan lijdt je daar dus onder, en als je dat niet doet dan heb je gewoon nog niet begrepen hoe erg het is. Dat had ik ook niet. Dat moest nog komen.

Getourmenteerd wentelde ik mij die nacht in mijn bed. Wat had ik verloren? Welke teksten waren voorgoed verdwenen, nu ook alle diskettes gestolen waren? Een groot en hol gevoel van verlies overviel mij, ditmaal bekroop het niet-zijn mijn zijn zelf. Het was alsof op de plaats waar ooit mijn maag zat nu een groot gat geslagen was, een gevoel als van een zwangere vrouw die haar vrucht verliest, nee als van een man bij wie in het gaan opeens een bal uitvalt. Kortom, ik was mijn leed aan het lijden.

De volgende dag bleek de schade goedbeschouwd beperkt. Op kantoor lagen nog kopieën tot voor een week of zes. Een dag later belde de politie uit Maastricht dat de tas was met alle boeken, paperassen en snuisterijen was gevonden, maar zonder computer en diskettes. Het geleden leed wordt verder als verhaal verwerkt.

    • A. de Swaan