De kunstenaar en de religieuze mens kennen dezelfde vervoering

De mens is op zoek naar een nieuwe verankering voor normen en waarden. De kerk is te menselijk geworden om nog te inspireren, het humanisme teveel gebaseerd op het christendom om een alternatief te zijn. Antoine Bodar denkt dat een terugkeer naar de religie wellicht mogelijk is vanuit de kunst.

Nog even en velen van ons spoeden zich naar concertzaal of kerkgebouw voor de jaarlijkse Matthäus-Passion. Het komt mij voor dat het er hierbij niet louter om gaat de lente te proeven en bij die gelegenheid Bachs oratorium te beluisteren. Daartoe blijken steeds de verwachtingen te gespannen, de aandacht te bewogen, de stilten tussen de onderdelen te gewijd. Ik denk dat ik mij niet vergis. Meditatieve momenten vinden hun uitgangspunt in dat getoonzette verhaal over lijden en sterven van Jezus Christus. Of menig concertganger nadien ook het kerkgebouw betreedt om de eredienst mee te vieren, lijkt mij te optimistisch. Dit heeft niet alleen van doen met de hedendaagse interpretaties van vrijheid en individualiteit, maar ook met de wijze waarop menig kerkgenootschap zichzelf heeft teruggebracht tot een ethisch instituut, waarin normen en waarden worden verdedigd, terwijl het fundament - het geloof in de persoonlijke God - wordt verwaarloosd. Daardoor is ook menige eredienst menselijk, al te menselijk geworden. De ontroering is geweken, het geheim oninteressant bevonden. Wij proberen goed voor elkaar en de anderen te zijn. Wij zijn bij de tijd en passen ons aan. No nonsense.

Normen en waarden behoeven een verankering. De verwijzing naar het christendom moet misschien terug in het VVD-programma, meent fractieleider Bolkestein. Het CDA staat daarvoor uit hoofde van zijn naam, zo deze gevolgtrekking niet te naïef is. Maar een in het christendom verankerde moraal blijft tamelijk vrijblijvend als die niet gedragen wordt door een cultuur van bidden, bij God zelf verkeren. De moraal heeft eigen benen, maar zijn deze sterk genoeg, vraagt filosoof A. van den Beld zich af (NRC Handelsblad, 7 maart). Het christendom deelt met het humanisme de zorg om de waardigheid van de mens. Maar blijft die nagestreefde waardigheid niet ietwat zwevend, zo niet wordt uitgegaan van de Grieks-Joods-Christelijke traditie? Is het humanisme in het Westen niet een zich daaraan oriënterend humanisme? Zo waren Erasmus en Coornhert en Hugo de Groot christen-humanisten. Ook het humanisme behoeft verankering en zal mijns inziens niet in staat zijn een serieus alternatief te bieden voor de religieuze bronnen van de Europese cultuur, zoals de voorzitter van het Humanistisch Verbond, P.B. Cliteur, meent (NRC Handelsblad, 7 maart). De kerken zullen weer bedehuizen moeten worden, niet om het wereldgebeuren nog eens door te nemen of anderszins sociaal of solidair of creatief bijeen te zijn, maar om God te aanbidden en te belijden, te danken en te smeken, opdat het mysterie van het geloof wordt gevierd waaruit de moraal voortkomt, zoals het eerste gebod het tweede impliceert. Christendom, dat alleen ethiek behelst, kan beter geen christendom worden genoemd.

Ik keer terug naar de muziek van Bach. Zouden niet de voorgangers van de leeggelopen erediensten hun oor in bescheidenheid te luisteren kunnen leggen in de weldra volstromende concertzalen? Zou niet vanuit de kunst de religie opnieuw overwogen kunnen worden?

Religie heeft met kunst evenveel van doen als schoonheid met heiligheid, als heersen met dienen. Alles dus. Dit is niets nieuws. Religie en kunst, samen of afzonderlijk, elkander bevruchtend of eigen wegen gaand, zijn beide mogelijkheden het leven betekenis te geven, het leven te aanvaarden als verder reikend dan nut, als ruimte latend aan zin. Ik hanteer het algemene begrip 'religie' ter onderscheiding van een bepaalde godsdienst en reserveer het begrip 'kunst' voor de communicatieve uitingen die van doen hebben met kunde. Ik stel in het centrum de mens die van nature is aangedaan of door overrompeling geraakt door een onbekende, omvattende aanwezigheid. Hiermee zoekt hij schroomvallig als de denker of zinnelijk als de mysticus verbinding. Hij is gegrepen, al begrijpt hij niet. Hij wil duiden, al weet hij niet wat. Hij wil vorm geven, al weet hij niet waaraan. In dezen reiken de religieuze mens en de kunstenaar elkaar de hand, zo zij niet dezelfde zijn.

Ter verduidelijking van deze stelling, die alleen in een periode van bijziendheid in de eigen tijd niet wordt begrepen (zoals in de jaren zestig en zeventig), roep ik twee geschriften in herinnering die onderscheidenlijk gestalte geven aan hetgeen kunst en religie vermogen. Ieder baken heeft immers zijn eigen teken. Ik bedoel T.S. Eliot's essay Tradition and the individual talent uit 1919 en Rudolf Otto's studie Das Heilige uit 1917.

De dichter Eliot plaatst de kunstenaar in de traditie en ervaart het kunstenaarschap als dienstbaarheid. Traditie duidt op historisch besef, niet alleen met het oog op de overlevering zelf maar ook met het oog op de actualiteit ervan. De dichter voegt aan het geheel van de reeds bestaande kunstwerken het zijne toe, waardoor enerzijds dat geheel wordt gewijzigd en anderzijds hij zelf in het kader van dat geheel wordt beoordeeld. Laat de dichter ervan doordrongen zijn dat kunst nooit vooruitgaat, al blijft het materiaal van de kunst nooit geheel hetzelfde. Terwijl de dichter zich onafgebroken toelegt op het historisch benul, is hij zich ervan bewust dat het kunstenaarschap opoffering en terzijdestelling van de eigen persoonlijkheid inhoudt. Niet de persoonlijke emoties maken de dichter belangwekkend, maar de gewaarwordingen die hij als medium - als middelaar - tot uiting brengt. Laat de dichter daarom rustig en passief - receptief - afwachten en zo reageren op hetgeen hem geschiedt. De artistieke emotie is onpersoonlijk. Deze kan de dichter alleen verwoorden door zich geheel aan het door hem uit te voeren werk over te geven.

De geleerde Otto onderzoekt het irrationele in de idee van het goddelijke en ziet het heilige niet als zedelijk begrip maar als begrip sui generis, niet te definiëren. Meteen vraagt hij de lezer zich te bezinnen op hetgeen religieuze ontroering is. Kent hij die niet, dan hoeft hij niet verder te lezen. Want zo iemand zal veelal esthetica als genoegen van de zinnen en religie als functie van gemeenschappelijke driften en sociale waarden afdoen. Het heilige is het numineuse, het van Godswege wenkende. Dit brengt een gevoel, een gewaarwording teweeg van een mysterium tremendum, een huivering gevend geheim, een geheim dat alleen het verborgene, het gans andere benoemt. Dit mysterie is niet alleen tremendum (huiveringwekkend) maar ook fascinosum (betoverend). Huiveringwekkend door overweldiging en verhevenheid, een huiver die energie geeft en bevlogenheid. Betoverend door vervoering en aantrekkelijkheid, een betovering die tot roes voert en duizeling.

De dichter (Eliot) weet dat de artistieke emotie onpersoonlijk is. De kunstenaar geeft zich over, getroost zich opoffering, verwijlt in receptiviteit. De geleerde (Otto) weet dat de religieuze aanraking verrassend is. De religieuze mens weet dat het mysterie doet huiveren, dat het een even dwingende als goddelijke wenking is, waardoor betovering zich voordoet. Gemeenschappelijk aan beider uiteenzettingen is dat het initiatief niet aan de zijde van de mens is. De mens wordt gewenkt. Hij wacht af. In ontvankelijkheid wordt hij overmeesterd. De profeet Jeremia zegt het zo: 'Gij hebt mij overreed, Heer, en ik heb mij laten overreden. Gij zijt mij te sterk geweest'.

In deze tijd van specialisatie en fragmentering lijkt het zinsverband zoek. Kunst, wetenschap, godsdienst sluiten elkaar niet in maar uit. Wie zijn nog op zoek naar een bezield verband? Gemeenschappelijk aan deze drie verschijnselen van cultuur is de ordening. Kunst en wetenschap en godsdienst ordenen. Ordening is een dienstbare bezigheid. Zij dwingt tot bescheidenheid. Leidt elke ordening tot duiding? De wetenschappelijke is de meest begrensde, blijft gevangen in de beperkingen van de redelijkheid. De artistieke en religieuse zijn wel onbegrensd, maar in de onbeperktheid maatschappelijk niet te controleren.

Het meest krachtig komt de aantrekking van het mysterie tot uiting in de half of niet begrepen cultus-taal, schrijft Otto in 1917. Zij is totaal anders, zoals het Latijn in de rooms katholieke mis, het Sanskriet in de Boeddhistische vieringen van China en Japan, de taal van de goden in de offer-rituelen van Homerus. Het numineuse in de kunst blijft indirect, weet Otto. Slechts twee middelen zijn in het Westen direct. Naar plaats de duisternis, naar tijd de stilte.

Gemeenlijk onderbreekt de mens het spreken om te zwijgen. Waarom spreekt hij niet vanuit het zwijgen? Zo geeft zwijgen plaats aan het spreken en niet spreken aan het zwijgen. Van de goden hebben de mensen het zwijgen geleerd, van de mensen het spreken. Aldus Plutarchus.

Zwijgen komt van God, spreken van de mensen. 'Het stil gesprek met de Heer is weggelegd voor wie Hem vrezen.' (Psalm 25,14) Zijn stilte is onze lofprijzing. Spreken is van de tijd, zwijgen van de eeuwigheid. Laat de lippen slapen en de ziel ontwaakt. Sluit de ogen en de hemel opent zich. Stilte en rust geven vrede, tevredenheid, thuis zijn bij de Heer, bij Hem die de stilte zelf genoemd mag worden. Zo neigt Hij zich naar ons over en spreekt als Woord Zijn zwijgende woorden. Zwijg voor de Heer al wat leeft.