De geheime tuin

Nu Gardeners' World op de televisie terug is sidder ik weer bij de aanblik van die 'moeilijke' tuinen: het kleine binnenplaatsje tjokvol met planten, of de in diepe schaduw gedompelde tuin met achterin een muur van 7 meter hoog.

Wat een prestatie al die wonderplanten te kweken in een zo ongeschikte ruimte. Natuurlijk ziet ieders tuin er op zijn paasbest uit wanneer de BBC komt filmen, maar die tuinen, zo voel je, waren altijd al perfect. Hun eigenaars wippen telkens naar buiten om die ene bloem af te knippen die stoort, of het blad te schikken dat niet helemaal in de juiste richting groeit. Er is van alles - kleine vijvertjes met kikkers en goudvissen, antieke banken, potten tot de rand gevuld met exotische planten, latwerk bijna onzichtbaar onder de welig tierende klimmers. Maar er zijn twee dingen die ze niet lijken te hebben: het ene is een composthoop en het andere is kinderen.

De composthoop moet verstopt zijn achter het een of ander: alleen organische tuiniers pochen voor de televisiecamera's op hun compost; maar kinderen, of tenminste de ondernemende, buitenspelende soort, zijn moeilijker weg te werken. Neem mijn tuin op het ogenblik: die bevat een piratenschip - een oranje plastic kuip, drijvend in de vijver; onderdelen van een poppen-theeservies op het gazon; een rovershol gebouwd van takken en bladeren op de plek waar ik de nieuwe hydrangerie had gepland, een spionnen-uitkijktoren tussen de heesters achterin de tuin, opgetrokken uit trottoirtegels, verzakte kartonnen dozen en een emmer zonder bodem; en nog allerlei ander speeltuig dat dienst doet bij onduidelijke spelletjes verspreid over de tuin.

Plotseling mooi weer brengt niet alleen de tuinier naar buiten, uitgerust met schoffel, schep en snoeischaar, maar ook familieleden van geringere afmetingen, vergezeld van vriendjes, vriendinnetjes en speelgoed. Binnen de kortste keren is er een pijnlijk contrast tussen de serene orde van de bloembedden en de totale chaos er omheen. Als ik naar binnen ga en naar buiten kijk zie ik dat de tuin er nog erger uitziet dan toen ik begon.

Opruimen heeft alleen incidenteel resultaat, en het is harteloos kinderen iets te laten afbreken waar ze de hele middag aan hebben gewerkt. De ironie van het geval is dat je oorspronkelijk juist een tuin had genomen omdat je kinderen hebt: deze redenering - 'de tuin is er voor het kind' - blijkt in conflict te komen met de verbeten territoriumijver die zich meester maakt van een ouder die ontdekt heeft dat er een tuinier in hem schuilt. “Want het eerste doel van de tuin is dat het een privé-domein zal zijn van rust en beloning voor werk en inspanning - een vredige plek voor oog en geest”, schreef Gertrude Jekyll, en het is moeilijk voorstelbaar dat zij er een piratenschip in zou dulden. Ze had geen kinderen en voor die van anderen die haar tuin bezochten was ze niet mild; een van hen beschreef haar later als “een dreigende godheid, wier toorn zeer gevreesd was, slechts te verzoenen door geen gerucht te maken en binnen de tuinpaadjes te blijven.”

Het boek van Gertrude Jekyll, Children and Gardens, met lyrische foto's van oppassende kleine meisjes in smetteloze jurkjes die hun blote voetjes in de vijver laten hangen, gaat meer over haarzelf dan over kinderen die zij kende. Slechts een enkel heel uitzonderlijk kind heeft dezelfde houding tegenover de tuin als zijn tuinierende ouders. E.A. Bowles was zo'n wonderkind: zijn bewering, op driejarige leeftijd, dat hij sleutelbloemen door een gevlochten rotan stoelzitting had laten groeien werd terecht door zijn ouders als een voorteken van zijn toekomstige begaafdheid opgevat. De geschiedenis vermeldt niet wat ze zeiden toen hij en zijn zusje later een grote kuil groeven voor een vijver; misschien was de tuin zo groot dat zulke kuilen er niet in opvielen.

In weinig kunstvormen spelen de kinderen van de kunstenaar enige rol - met de mogelijke uitzondering van muziek en dat gaat dan al meestal niet zonder geween en knersing der tanden; maar tuinieren is er een waaruit ze moeilijk geheel zijn te weren. Toch hoor je weinig over de activiteiten van de kinderen van de Nicolsons in de tuinen van Long Barn en Sissinghurst (waar ze, gescheiden van hun ouders, in aparte huizen woonden); ook andere tuinschrijvers laten de vernielingen aangebracht in de tuin door hun kinderen onvermeld. Margery Fish was kinderloos, evenals Christopher Lloyd (die eens geschreven heeft dat kinderen niet de halve maar de dubbele entreeprijs zouden moeten betalen); de enige schrijver die uitdrukkelijk wel kinderen in zijn tuin toeliet was E.A. Bowles, die zelf ook geen kinderen had.

“Bezoekers die voor het eerst op Myddleton kwamen waren altijd verbaasd over de jongens. Ze zwermden om Bowles heen als bijen, een soort wolk die hem volgde waar hij ook ging.” (Mea Allen, A.E. Bowles and his Garden at Myddleton House, Faber & Faber, 1973). Tegenwoordig zou hem dat vermoedelijk eerder in aanraking brengen met het Riagg, maar in die onschuldige tijden was Bowles nog een geboren onderwijzer: de jongens mochten ook vissen in de rivier en 's winters schaatsen op het meer.

Onze tuinen zijn te klein. Het ideaal zou zijn kinderen een eigen stuk grond te geven, liefst met een haag er omheen, om voetbal en zeerovertje te kunnen spelen, en de hoop te laten varen dat je misschien een toekomstige Miss Jekyll of Mr Bowles koestert. Toen ik mijn dochter eens vroeg wat ze het liefst in de tuin zou willen doen was haar antwoord dat ze alle bloemen zou willen plukken - precies zoals Mrs C.W. Earle schreef in 1897: “Net als bij zoveel jongeren die ik nu om mij heen zie was mijn enige interesse in de bloemen, dat ik het genoegen zou hebben ze te plukken.” En zij vervolgt, verstandig als altijd: “Tuinieren is geloof ik vooral een genoegen voor mensen van middelbare leeftijd en ouderen. Het leven van jonge mensen is als regel te vol om de benodigde tijd en aandacht te kunnen opbrengen” (Pot-pourri from a Surrey Garden, herdruk Century, 1984).

In het allerbeste boek over kinderen en tuinen, The Secret Garden van Frances Hodgson Burnett, vinden de kinderen het ideaal: een ommuurde en vergeten tuin. Hun leven vult zich met tuinieren, wieden om meer ruimte aan de bollen te geven, zaaien, oude rozen snoeien. Ook zijn zoals in alle goede kinderboeken de volwassenen dood of op reis naar een ver land; niemand vertelt de kinderen wat ze moeten doen of laten. En al heel vroeg weten ze hoe ze willen dat het er uit zal zien: “Laten we het niet te netjes maken”, zei Mary bezorgd. “Het zou er niet als een geheime tuin uitzien als het netjes was.”