D-Day

Als de regeringen van de Geallieerden uit de Tweede Wereldoorlog de herdenking van de invasie in Normandië in eigen kring hadden willen vieren zonder hun tegenwoordige Duitse vrienden voor het hoofd te stoten, hadden ze natuurlijk niet met een staatshoofdenfeestje op zee moeten beginnen. Het lag voor de hand dat bondskanselier Kohl c.s. zich aan het onontkoombaar triomfalistische karakter van zo'n geallieerde samenscholing (met een overtocht op een Brits vlaggeschip van Engeland naar Frankrijk) zou storen. De organisatoren zouden er in de eerste plaats verstandiger aan hebben gedaan op eigen gelegenheid naar Caen en Saint Lô te reizen, maar zich ook een pijnlijk dilemma hebben bespaard wanneer ze uitsluitingen bij voorbaat achterwege hadden gelaten - en de komst van de Duitsers aan de discretie van Bonn hadden overgelaten.

De grootste bezwaren tegen de Duitse aanwezigheid bij de viering schijnt van Amerikaanse zijde te zijn gekomen, maar ik ben vooral benieuwd naar de officiële, nog niet geopenbaarde Britse motivering (en de Nederlandse, want ook Den Haag heeft met de uitsluiting van de Duitsers ingestemd). De Britten, die van oudsher minder last gehad hebben van anti-Duitse gevoelens dan de Nederlanders, hebben zich al in het begin van de jaren tachtig bij allerlei gelegenheden met hun vroegere vijand op het slagveld verbroederd.

Lipmann Kessel, een van de artsen van de bij Arnhem verslagen 1e Britse Luchtlandingsdivisie (een tot Engelsman genaturaliseerde Duitse emigrant) schreef in de jaren vijftig al dat de Engelsen op het slagveld betrekkelijk weinig haat koesterden jegens de Jerries, de bijnaam van de Duitsers die een minder negatieve klank in het Engels had dan Mof in het Nederlands (Surgeon at Arms, London 1957).

Ook John Frost, de commandant van het Engelse bataljon dat na een heroïsche strijd bij de Rijnbrug in de pan werd gehakt, droeg de Duitsers, ondanks het grote aantal doden in zijn bataljon, geen eeuwige vijandschap toe. Ik kan meevoelen met de Arnhemmers die zich bekocht voelden toen zij lazen dat Frost in 1979, een jaar nadat de Rijnbrug was herdoopt in John Frost-brug, had geluncht met de Duitse generaal Harmel, de commandant van de 10e SS Pantser-divisie, die het Engelse bataljon bij de brug had vernietigd. Voor Frost ging de verbroedering weliswaar niet zover dat hij de eer die Arnhem hem had bewezen met de oude vijand wilde delen (Harmel liet in ernst doorschemeren prijs te stellen op de naam Frost-Harmel-brug), maar hij had een “hoogst interessant” gesprek met Harmel gevoerd dat “naar meer smaakte” (John Frost, Nearly There, The Memoirs of John Frost of Arnhem Bridge, London 1990).

Voor Frost cum suis was de confrontatie met de Duitsers en eigenlijk oorlogvoering in het algemeen, een rugbywedstrijd met andere middelen. George Orwell had voor de Tweede Wereldoorlog al eens op die gezindheid gewezen, maar in de slag bij Arnhem schreeuwden de Engelsen dat zelf van de daken. De latere brigadier George Taylor, commandant van een tankbataljon in Arnhem, schreef in zijn memoires dat zijn bataljon “the great Scottish Oxford three quarter line” in zijn midden had. De lichting officieren die tegelijk met hem was opgekomen, was “overwegend gekozen op grond van prestaties in de rugbycompetitie” (George Taylor, Infantry Colonel, Worcester 1990).

De tweede lezing van een aantal oorlogsmemoires heeft me intussen voor een documentair raadsel gesteld dat de Rijksvoorlichtingsdienst bij de herdenking van D-Day straks mooi kan oplossen. Vijftig jaar na de geallieerde invasie in Normandië hebben wij nog de tekst van de toespraak te goed die de Nederlandse minister-president Gerbrandy uit zijn Londense ballingschap op 6 juni 1944 via de radio tot de Nederlandse bevolking heeft gehouden. Die tekst is op beperkte schaal verspreid, maar niet opgenomen in de bundel Londense redevoeringen die in 1985, met een inleiding van dr. L. de Jong, is verschenen (Landgenoten! De radiotoespraken van minister-president prof.mr. P.S. Gerbrandy in de jaren 1940-'45, gehouden voor Radio Oranje en De Brandaris). Waarom juist die ene toespraak daarin ontbreekt, is niet bekend. Sterker, dr. De Jong, die deze toespraak heeft weggelaten, althans niet in de bundel heeft opgenomen, spreekt in zijn verantwoording van een complete reeks, zonder het hiaat tussen 3 juni 1944 en 17 juli 1944 te verklaren.

Wie wil weten wat Gerbrandy op die historische zesde juni 1944 tot zijn Nederlandse gehoor heeft gezegd, kan de strekking daarvan opzoeken in de geschiedenis van Radio Oranje van de chef-nieuwsdienst en hoofd van de Nederlandse radio in ballingschap H.J. van den Broek (de vader van Hans, die volgens het voorwoord “destijds nog te jong was om alles te kunnen begrijpen”). Maar dat boek (Hier Radio-Oranje. Vijf jaar radio in oorlogstijd, Amsterdam 1945) is niet meer langs de normale weg verkrijgbaar en leidt al vele jaren een antiquarisch bestaan. In De Jongs eigen werk (Geschiedenis van het Koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog) is de toespraak wel te vinden, maar de vraag is waarom hij die niet in de, in 1985 uitgegeven 'complete' verzameling heeft opgenomen.

Die vraag klemt te meer omdat het een van de belangrijkste Londense redevoeringen was die de Nederlandse minister-president voor Radio-Oranje heeft gehouden. Gerbrandy's D-Day-toespraak bevatte niet alleen het historische nieuws van de invasie maar hield ook een versluierde oproep tot verzet in. Voorop stond dat de Nederlandse bevolking zich moest onthouden van “gewelddadig openlijk verzet, teneinde de vijand geen gelegenheid te geven tot het nemen van represailles of zich op onschuldigen te wreken”, maar hij liet daar de zachte wenk op volgen dat overal waar onzichtbaar en onherkenbaar passief verzet mogelijk was, dit ook onverbiddelijk zou worden geboden.

Die geclausuleerde aansporing tot verzet was een voorloper van de oproep van de regering uit Londen tot de spoorwegstaking in Nederland, die op 17 september 1944, op de ochtend van de dag waarop de luchtlandingen bij Arnhem begonnen, zou worden afgekondigd. Koningin Wilhelmina zweeg op D-Day, omdat zij zich wegens oververmoeidheid enige tijd had teruggetrokken, ook van de Londense radiozender. Gerbrandy was even onvermoeibaar als onstuitbaar. Des te meer reden voor de RVD om ons weer in het bezit van die ene historische tekst te stellen.