Breuklijnen in het Nederlandse model

De groei van de Nederlandse welvaart is te traag, het aantal langdurig werklozente hoog. Steeds meer landen dreigen Nederland bovendien met lage loonkosten uit de wereldmarkt te drukken. Donderdag aanstaande gaan ondernemers, vakbondsleiders, academici en ambtenaren op uitnodiging van minister Andriessen van economische zaken in een vier uur durend debat op zoek naar de kwalen van Nederland en mogelijke geneeswijzen. De discussie, het 'Platform Globalisering' is direct op de TV te volgen. Munitie voor een twistgesprek en houvast voor een Babylonisch debat.

De welvaartsmachine 'Nederland' hapert. Met minder grondstoffen produceert de machine steeds minder eindprodukten. Steeds meer mensen zijn steeds langer werkloos en de inkomensgroei blijft achter bij omringende landen.

De snel stijgende werkloosheid en de steeds tragere groei van het inkomen hebben in de afgelopen maanden geleid tot het besef dat het Nederlandse model - een sterk op export gerichte handelsnatie met een royaal aanbod sociale voorzieningen - in de revisie moet. In een lawine van rapporten, nota's en toespraken hebben bewindslieden, rekenmeesters en specialisten onderdelen van het model op de korrel genomen en oplossingen aangedragen. De spraakverwarring is groot. De een wil langer werken, de ander korter. Rapport A. pleit voor een vergaande vereenvoudiging van de sociale zekerheid, rapport B. gaat niet verder dan een behoedzame bijstelling. De overheid moet minder taken op zich nemen, aldus een forum op maandag. De overheid moet juist veel meer doen, concludeert een werkgroep op dinsdag. Consensus is er eigenlijk maar op één punt: er is iets mis en er moet iets gebeuren. Nederland moet veranderen om in een snel veranderende wereld bij te blijven.

De statistieken laten zien waar die zorgen vandaan komen. In 1970 was het inkomen per hoofd van de bevolking - een graadmeter voor de welvaart - in Nederland hoger dan in de omringende landen Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en België. Vijfentwintig jaar later is Nederland weggezakt naar de laatste plaats in deze groep. Geen enkel ander OESO-land kende het afgelopen decennium zo'n lage groei van het inkomen per hoofd als Nederland.

Waarom? Eenvoudig gezegd, omdat steeds minder mensen voor steeds meer mensen de kost moeten verdienen. Het aantal personen beneden de 65 jaar dat een beroep doet op één of andere inkomensvervangende uitkering is in de afgelopen 25 jaar onafgebroken gestegen en opgelopen van 0,7 miljoen in 1970 tot 2,4 miljoen nu (zie grafiek). Dat is bijna de helft van de 5,7 miljoen Nederlanders tussen de 15 en de 65 jaar. Nederland heeft op dit moment dus 2,4 miljoen echte werklozen en anderszins inactieven. Al deze mensen dragen zelf niet bij aan de welvaart, maar moeten wel van een inkomen worden voorzien. Dat drukt de welvaart per hoofd van de bevolking. Nederland is op dit punt overigens geen uitzondering. In heel West-Europa is slechts een gering deel van de beroepsbevolking actief. Zeker in vergelijking met Japan en de Verenigde Staten (zie grafiek).

Het probleem wordt nog pregnanter als wordt bedacht dat in Nederland in vergelijking met andere landen in de afgelopen jaren veel werkgelegeneid isgeschapen. Sinds het eerste kabinet Lubbers groeide de werkgelegenheid in Nederland zelfs harder dan in Duitsland en gemiddeld in Europa, namelijk met gemiddeld 1,4 procent per jaar tegen 0,4 procent gemiddeld in Europa. Toch was ook die, verhoudingsgewijs snelle, groei niet voldoende om de balans tussen producenten van welvaart en consumenten van welvaart zodanig op peil te houden dat de gezamenlijke welvaart gelijke tred kon houden met het buitenland.

Om het evenwicht in Nederland te herstellen zijn in de aanloop tot het tv-debat over de Nederlandse economie dat minister Andriessen donderdag zal voorzitten in hoog tempo zeer uiteenlopende diagnoses en oplossingen aangedragen. In vijf beschouwingen worden de belangrijkste knelpunten tegen het licht gehouden: de werking van de arbeidsmarkt, de omvang van de sociale zekerheid, de ondernemers-cultuur, de invloed van de overheid en de functie van pensioenfondsen.