Opinie

    • Youp van ’t Hek

Boekenbal

Zelfs Jack Spijkerman is door een aantal journalisten opgemerkt, de zoon van Marjan Berk mocht voor Het Parool met zijn moeder op de foto, Jan Timman zag ik lopen, Jan Mulder, Jan Kuitenbrouwer, Max Pam, Louis Ferron, Rogi Wieg die afgelopen maandag met het Trosspelletje Triviant mijn uitgever Thomas Rap verpulverde, Jules Deelder, Harry uiteraard, A.F.Th. natuurlijk ook, Ivo de Wijs, Jaap Scholten, Nelleke Noordervliet, Elly de Waard, Anja Meulenbelt, Conny, Ischa, Adriaan, Joost Zwagerman en ga zo maar door. Henk Spaan, Mischa de Vreede, Frenk der Nederlanden, Marion Bloem, Tim Krabbé, Giphart, Diana Ozon, Harm en Gertie, August en Elise, Hella, gastvrouw Cox Habbema natuurlijk, Thomèse, Philip Freriks, Gualthérie van Weezel, Joop Visser, Lenette van Dongen, Mai Spijkers, Michaël Zeeman, Rawie, meneer en mevrouw Vinkenoog, de heer B. Chabot, Gerrit Kouwenaar, Karin Spaink, Yvonne Kroonenberg, Frits Müller, Ernst Bakker, Willem Nijholt, Hans Ree, Adelheid, Remco, Paul Haenen, Bas Heijne, Marga van Praag, Boudewijn Büch, Jan Kal, Hugo Brandt Corstius, Vic van de Reijt en ga zo maar door. Erik van Muiswinkel, Boudewijn de Groot, Robert Vernooij, Jan Eilander, Mijke de Jong, Hanneke Groenteman, Geerten Meijsing, Herman Koch, Joop Braakhekke, Jan Meng, Rob Schouten en wie was er niet? Ik? Ik niet? Ik was er wel. Of ik er was. Na een diepe buiging in de schouwburg van Kampen ben ik naar Amsterdam gescheurd, heb mijn chauffeur beloofd dat ik de boete zou betalen en met een kilometertje of honderdnogwat zoefden we door de polder. Tien voor half een arriveerde ik en had er alle begrip voor dat de cameraploegen al naar binnen waren, maar vond dat wel jammer. Eerst heb ik geprobeerd om met Ivo, die voor mij nog eens een liedje heeft geschreven, in contact te komen, maar of hij danste met zijn eigen vrouw of hij praatte met Jan Kal of hij dronk met Rawie of hij... Wat ik ook probeerde: hij zag me niet of hij wilde me niet zien.

Toen ik iets te lang in de buurt van Deelder bivakkeerde kreeg ik een Rotterdams 'pleurt op' naar mijn hoofd en ook Hugo B.C., met wie ik vorig jaar nog even heb gesproken, keurde mij geen blik waardig.

Philip Freriks ken ik ook een beetje, maar toen hij voor de vierde keer zei: “Ik kom zo”, geloofde ik hem niet meer.

De meneer van de Nieuwe Revu die een foto van Jan Mulder en Remco Campert - terwijl ik net met hen stond te praten - wilde maken vroeg me of ik even een stapje opzij wilde doen. Daarna heb ik nog even met Henk Spaan gekout, een en ander bijgelegd, maar niemand zag ons. Vier mensen met wie ik volgens de oude boekenbalgewoonte over mijzelf begon vroegen me wie ik was en wat ik deed en of ik er een beetje van kon leven. A.F.Th. heb ik ooit nog eens een lift gegeven, maar ook hij was drukker met anderen en het leek of hij mij steeds ontliep.

Ik had wel alle kans om uitgebreid met Jan Kuitenbrouwer te babbelen, maar dat wou ik weer niet. Ik moet een beetje aan mijn image denken. Er waren ook wel boekhandelaren met een hoog Bruna-gehalte die met mij wilden converseren, maar dat trekt geen camera's.

In de NOS-kantine heb ik Kees van Kooten wel eens gesproken en ik vond dat wel een goede opener van een gesprek. Ik probeerde tegen Remco: “Is Kees er niet?” in de hoop dat hij zou zeggen: “Ken jij die dan?”

Maar Remco zei niks terug. Hij schudde 'nee'. Meer niet. In de buurt van de tap heb ik heel lang en vaak gestaan, maar steeds als ik er stond leek het wel of er niemand dorst had.

Toen ik om half drie over de Weteringschans naar huis slenterde neuriede ik een onbekend stukje Brahms. Mijn vrouw vroeg of het leuk was.

“Vreselijk gelachen”, kuste ik haar welterusten.

Woensdagochtend aan de leestafel van Keyzer sloeg ik haastig de kranten op en zag ik tot mijn verbijstering dat ik niet één keer genoemd werd en al die anderen waren wel gezien.

“Vriendjespolitiek is het, culturele incest, een stelletje subsidieluizen met hun poezie-albums en hun drankprobleem”, foeterde ik tegen mijn vrouw en net als alle andere jaren sprak ik fermer dan ferm:

“Eén ding weet ik wel. Volgend jaar ga ik niet meer.”

    • Youp van ’t Hek