Blik in Navo

Jan Melissen: The Struggle for Nuclear Partnership: Britain, the United States and the Making of an Ambiguous Alliance 1952-1959; 153 blz., Styx Publications 1993, ƒ 65,-

Tot in de tweede helft van de jaren vijftig was er van een special relationship tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië op het terrein van nucleaire samenwerking geen sprake. Wantrouwen voerde de boventoon. Over deze moeizame relatie handelt The Struggle for Nuclear Partnership, de handelseditie van het proefschrift van Jan Melissen. De auteur geeft de actuele stand van zaken van het internationale onderzoek en brengt daar op basis van eigen nauwgezet speurwerk in de Britse en Amerikaanse archieven enige nuanceringen in aan. Hij trekt voorts een aantal opvallende conclusies.

Zo toont Melissen overtuigend aan dat de Britse regering voor de opbouw van haar nucleaire strijdmacht meer west- dan oostwaarts keek. Zij liet zich minder leiden door de concrete Sovjetdreiging dan door haar streven naar een goede verstandhouding met de Verenigde Staten. Groot-Brittannië wenste een wereldmacht van betekenis te blijven en de status van nucleaire mogendheid zou het die positie verschaffen, maar het land was voor de kennis van de nucleaire technologie in toenemende mate afhankelijk van de Verenigde Staten. Amerika kende echter op dit punt een zeer restrictieve wetgeving en de regering-Eisenhower wilde aanvankelijk de nucleaire kennisoverdracht niet tot die aan Groot-Brittannië beperken. Publiekelijk verklaarden beide staten op één lijn te zitten, in de praktijk lagen de belangen en standpunten ver uiteen.

De Suez-crisis, eind 1956, toch algemeen beschouwd als een dieptepunt in de NAVO-historie omdat de Verenigde Staten zich fel keerden tegen het Brits-Franse militaire ingrijpen, leidde opmerkelijk genoeg tot een verbetering in de betrekkingen. Het was er met name de VS alles aan gelegen om de cohesie in de alliantie te herstellen. De Spoetnik-crisis deed de rest. De Amerikaanse wetgeving werd vrijer, waarna de Amerikaanse en Britse nucleaire experts elkaars deuren bij wijze van spreken plat liepen.

De problemen binnen het bondgenootschap in zijn geheel werden er intussen alleen maar groter op. Het beleid van de regering-Eisenhower om eerst met Groot-Brittannië tot overeenstemming te komen en daarna met de andere lidstaten was, zo concludeert Melissen, contra-produktief. De laatste, in het bijzonder Frankrijk, voelden zich achtergesteld bij het Angelsaksisch onderonsje.

Om het vertrouwen te herstellen stelde Eisenhower voor kernwapens in Europa op te slaan en raketten voor de middellange afstand op het Oude Continent te stationeren. Echter ook hierbij kreeg Groot-Brittannië een voorkeursbehandeling. Frankrijk eiste een gelijke behandeling en ook andere staten wilden in het algemeen meer zeggenschap over de inzet van kernwapens. De VS gaven echter de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid over hun kernwapens niet uit handen.

De rest van het verhaal is bekend. Frankrijk stapte onder de Gaulle uit de militaire structuur van de NAVO en de overige lidstaten moesten zich tevreden stellen met een inbreng in de planning over de opbouw en inzet van de kernmacht. Overigens beschouwde de regering-Eisenhower de vervreemding van Frankrijk als een ongelukkige, maar acceptabele prijs van haar beleid ter voorkoming van een scheuring met Groot-Brittannië. Het laatste zou nog grotere desintegrerende gevolgen hebben, zo meende zij.

Melissen lijkt zich bij deze redenering aan te sluiten. Hij speculeert dat een Amerikaanse afwijzing van nucleaire samenwerking met Groot-Brittannië waarschijnlijk zou hebben geleid tot Britse samenwerking met Europese bondgenoten, waaronder de Bondsrepubliek, met alle prolifererende gevolgen van dien.

Hoe weinig militair en hoe politiek geladen de discussie over de middellange-afstandsraketten was, moge blijken uit het feit dat de Thor-raketten op het moment van plaatsing in Groot-Brittannië als kwalitatief slecht golden. Pikant is ook dat Eisenhower weinig gelukkig was met de plaatsing van Jupiter-raketten in Turkije. Zij stonden te dicht bij de Sovjet-Unie. Als er dergelijke raketten in Cuba of Mexico zouden worden geplaatst, zou Amerika ook ingrijpen, stelde hij profetisch in de zomer van 1959, dus vóór de Cuba-crisis.

Geïnteresseerden in internationale veiligheidskwesties zouden The Struggle for Nuclear Partnership zeker moeten lezen. Melissen laat zien hoe dissertaties kunnen zijn: bondig en helder. Hoewel het geschrevene eerder in internationale vaktijdschriften is verschenen en er hier en daar overlappingen zijn, vormt het boek één geheel en staat er nauwelijks een woord te veel in.