Berlijn

Ineke van den Bergen: Een passie voor Berlijn; 110 blz., SUA 1994, ƒ 24,50

Sommige mensen hebben het met Parijs of Londen, anderen gaan op de knieën voor New York. Voor freelance journaliste Ineke van den Bergen is Berlijn het summum van geluk. Voor die stad heeft zij een hartstochtelijke genegenheid opgevat. Tussen 1979 en 1993 bezocht zij regelmatig Berlijn, observeerde en sprak met mensen. Haar nieuwste boek Een passie voor Berlijn bevat de weerslag van die reizen en haar ontmoetingen.

Met Karl Winkler bijvoorbeeld, een jonge Oostduitser die eind '81 werd herauskatapultiert omdat hij er een andere levenshouding op wenste na te houden dan van hogerhand wenselijk werd geacht. Hij maakte zich bij de Oostberlijnse autoriteiten ongewenst door als liedjeszanger het systeem aan de kaak te stellen. In de herfst van '80 gearresteerd belandde hij in de gevangenis van Cottbus waar hij 13 maanden verbleef voor hij door Bonn werd 'gekocht' en over de Muur werd gezet.

Ze ontmoet Peter Schneider, auteur van Der Mauerspringer waarin hij het onsterfelijke verhaal vertelt van Herr Kabe die regelmatig uit het Westen de sprong oostwaarts maakte. Zijn motief: “Als het zo stil is in huis en buiten is alles grauw en mistig en er is niets te doen, dan denk ik, ach, ik spring maar weer eens over de Muur.” Met Schneider sprak Van den Bergen in 1982 over het feit dat Westduitse auteurs wel vaak schreven over de nazi-tijd maar zelden of nooit over de gedeelde stad Berlijn. Zijn antwoord is niet verrassend: “De DDR-auteurs lijden er natuurlijk veel sterker onder, voor hen is het een noodlot geworden in een verdeeld land te leven, een lot dat met emigratie of zelfs met Ausbürgerung verbonden kan zijn. De auteurs uit West hebben dat helemaal niet.”

De oppervlakkige lezer zou kunnen denken dat het antwoord van Schneider gedateerd aandoet, immers de Muur is gevallen, de stad is weer één. Maar schijn bedriegt. De Muur heeft zich vastgezet in de hoofden van mensen en laat zich daar niet zo gemakkelijk uitslaan.

In het begin van haar boek verklaart Van den Bergen de achtergrond van haar nieuwsgierigheid: “Niet voor landschappen maar voor de verstoring ervan. Niet voor bomen maar voor degene die onder de boom zat of zich erachter verschool.” Ze is nieuwsgierig naar het nachtleven, de zelfkant en bejaarden die hun verhaal vertellen. “De bejaarden laten zich niet makkelijk vangen. Ze zijn als de vele vogels die zelfs op de drukke Kurfürstendamm te horen zijn. Ze fladderen wat rond en ademen de beroemde lucht in,” schrijft ze. Bejaarden die Zarah Leander ('Kann denn Liebe sünde sein') hebben horen zingen, die haar verdedigen tegen het verwijt dat zij tijdens de nazi-periode haar stem niet heeft gespaard. “Ze was geen nazi”, zegt Bruno Balz tegen Van den Bergen. “Dat zij in die tijd opgetreden is, kan men haar niet verwijten. Ze verdiende hier goed.”

Ondanks de vele lezenswaardige passages vind ik het boek wat teleurstellend. Ten eerste de opbouw. Die is niet chronologisch. Ontmoetingen die Van den Bergen in '79 of '80 had worden afgewisseld met gebeurtenissen uit '93 of '89. Als de auteur al een bedoeling heeft gehad met deze niet-chronologische opbouw, dan had zij daar de lezer wel van in kennis mogen stellen. Spannend is het boek er in ieder geval niet door geworden, eerder wat rommelig.

Ook is het jammer dat Van den Bergen niet de ruimte heeft genomen om haar personages beter uit de verf te laten komen. Ze blijven een beetje aan de oppervlakte, terwijl haar gesprekspartners zich stuk voor stuk lenen voor een mini-biografie. Ronduit spijtig is het dat Van den Bergen niet de eerste de beste trein naar Berlijn heeft genomen na de val van de Muur. Daar had ze moeten zijn, die eerste dagen van chaos, blijdschap en verwarring.