Benjamin Constant (1767-1830); Grote talenten, haastige liefdes

Dennis Wood: Benjamin Constant; 321 blz., Routledge 1993, ƒ 128,-

Benjamin Constant staat bekend als een vroeg-negentiende-eeuwse Franse schrijver dank zij de ene korte autobiografische roman die hij voltooid heeft, Adolphe van 1816. Een tweede soortgelijke roman Cécile, onvoltooid en pas in 1951 gepubliceerd, heeft zijn positie bevestigd.

Zonder de romans zou hij op een bescheidener plaats voortleven als vriend van Belle van Zuylen en van Madame de Staël, en kleintjes als vergeefse minnaar van Madame Récamier. Alleen vakhistorici zouden hem dan nog kennen in de rollen die hij zelf zijn voornaamste vond, als politicus en als geleerde denker over religie. Toen zijn begrafenisstoet in december 1830 naar Père-Lachaise liep stonden de straten volgepakt niet voor de auteur van Adolphe maar voor de liberale gedeputeerde en commentator.

Voor een biograaf is Constant een innemend onderwerp als emotionele onberekenbare natuur met een koele mededeelzaamheid over wat er in hem omging. Toch is er betrekkelijk weinig over hem geschreven. De Franse biografische cultuur is niet zo intensief als de Engelse; bovendien komen er de laatste tijd telkens nieuwe gegevens aan het licht zodat de Constant-kundigen afwachtend gestemd zijn. Er bestond sinds 1957 een Pléiade-uitgave van zijn werken; die is 'provisoirement indisponible'. Wel is er een kleine Folio-editie beschikbaar van Adolphe, Cécile en zestig pagina's memoires bekend als Le Cahier Rouge. Daarnaast zijn sommige andere stukken van zijn werk te vinden in verspreide edities, zoals een eerste deel van zijn Correspondance Générale, vorig jaar in Tübingen uitgekomen onder redactie van twee Engelsen, C.P. Courtney samen met Dennis Wood die nu de nieuwe biografie heeft geschreven.

Wood, van de Universiteit van Birmingham, beschouwt zijn eigen werk ook als voorlopig: er blijft veel oningevuld. De lezer kan zich des te makkelijker voorstellen dat er van alles ontbreekt doordat Constant niet alleen wisselvallig was in zijn relaties, ook in zijn adressen. In zijn jeugd was zijn vaste verblijfplaats Zwitserland, maar toen reisde hij al veel, wanneer hij met zijn vader meeging die officier was in Nederlandse dienst en wanneer hij naar Duitsland en Engeland gebracht werd voor zijn opvoeding. Na zijn studie had hij zes jaar lang een baan in Duitsland, en toen na 1795 Parijs als zijn vaste verblijfplaats beschouwd kon worden was hij ook weer vaak weg, als hij achter liefdes en andere persoonlijke belangen aan wilde of als het in de politieke situatie beter was om even uit de buurt te blijven.

Huisleraren

Benjamin Constant was in 1767 geboren in een van oorsprong Noordfranse protestantse familie (Constant de Rebecque) die zich in de zestiende eeuw in Zwitserland gevestigd had. Zijn moeder stierf twee weken na zijn geboorte en Wood is bereid te geloven, in het voetspoor van eerdere auteurs zoals de Nederlandse freudiaan Han Verhoeff, dat hij haar 'ontrouw' aan hem verhaalde op de vrouwen later in zijn leven. Zijn vader was een prikkelbare en niet hartelijke man, meestal afwezig. De emotionele groei van de jonge Benjamin bleef onbeschermd en zonder voorbeelden.

Intellectueel had hij het beter. Schooljaren heeft hij niet gekend; zijn onderwijs kreeg hij van een inconsequente opeenvolging van huisleraren, maar toen hij als jong student eerst in Erlangen verscheen en vervolgens in Edinburgh kon hij in discussie iedereen aan. Tegen zijn twintigste was het afgelopen met onderwijs. Toen ontmoette hij Belle van Zuylen, Madame de Charrière, die zevenentwintig jaar ouder was dan hij en in aanmerking kwam om de plaats van de ontrouwe moeder in te nemen; bovendien was zij een onvermoeibare mede-intellectueel. Veel van hun gedachtenwisselingen werden in de volgende jaren per brief gevoerd toen Constant als Kammerjunker, later Legationsrat optrad aan het hertogelijke hof van Brunswijk. De baan beantwoordde niet aan zijn ambitie, maar er was geen voor de hand liggende mogelijkheid van werk ergens anders. Hij trouwde in Brunswijk met een Duitse; dat werd niets, en eindigde met een scheiding in 1795.

In '95 was hij net weg uit Brunswijk en had hij Madame de Staël ontmoet, die Belle overstemde. Met haar beleefde hij in veelvuldige afwisseling alle mogelijke relaties tussen liefde en verwijdering, tot zijn tweede huwelijk in 1808 en ook nog daarna. De tweede echtgenote was opnieuw een Duitse, Charlotte von Hardenberg, waar hij vijftien jaar tevoren het begin van een relatie mee gehad had en die intussen met een andere man getrouwd was. Zij was aan hem blijven denken en scheidde graag voor hem; het leek mooi te zullen worden, maar Constant had er meteen alweer genoeg van. Hij verveelde zich bij haar en willigde de eis in van Madame de Staël, die hij vooraf niet over het huwelijksplan had durven vertellen, dat hij nog drie maanden bij haar in Coppet in Zwitserland zou komen wonen. Toen Charlotte in die tijd een zelfmoordpoging gedaan had hield hij haar enige dagen gezelschap in Parijs; daarna haastte hij zich terug naar Coppet. Een toegewijde man werd hij nooit. Belle had als een eigenaardigheid van hem opgemerkt dat zodra hij een gevoel van liefde had uitgesproken, hij ophield het te ondervinden.

Waarschijnlijk gold dat wanneer hij zijn zin kreeg, niet bij afwijzing. In ieder geval bleef zijn gevoel voor Juliette Récamier in 1814 en '15 intact ook toen hij het talloze malen uitgedrukt had. “Je vous aime chaque jour plus et vous n'en voulez pas. Je n'ai pas d'autre occupation que vous. Vous voir un instant chaque jour, voilà ma journée. Tout l'intervalle est une agonie, et cependant je me soumets à tout.” Het hielp niet veel, ook al schreef hij haar honderdvijftig brieven in anderhalf jaar.

In dit geval trok hij aan het kortste eind. Meestal was dat het lot van de vrouwen die met hem te maken kregen, maar zonder dat hij er voldoening van ondervond. Zoals de lezer van Adolphe de verteller leert kennen, als een man die zichzelf verwijt dat hij voortdurend te kort schiet en toch de relatie niet kan verbreken, zo was Constant zelf. Hij leefde zich uit in zijn emoties, en moet in veel gevallen bijna onweerstaanbaar geweest zijn; maar met het vervolg wist hij geen raad.

Wel zal hij voldoening hebben ondervonden wanneer hij zijn ervaring later onder woorden bracht. Die stemming deelt zich dan mee aan de lezer: hoeveel ergernis het ook wekt dat Adolphe zich niet uit zijn verlammende goedigheid kan bevrijden, het onbehagen wordt opgenomen in het welbehagen over de verhaalstijl.

Zo gaat het ook wanneer Constant beschrijft hoe onzinnig hij zich in 1787 gedroeg tegen Jenny Pourrat, een meisje waar hij niet bepaald verliefd op was maar dat hij dacht te moeten trouwen omdat zij rijk en passend was en hij met hoge speelschulden zat. Toen hem door haar moeder meegedeeld werd dat het geen aanvaardbaar idee was, en de minnaar van de moeder boos werd omdat zijn eigen relatie door de jonge bezoeker bedreigd leek, nam Constant met een groot gebaar ten overstaan van het paar een slok opium, niet een dodelijke dosis. Hij werd haastig leeggepompt en meegenomen naar de opera om Tarare van Beaumarchais te zien. “Ik voelde een dolle vrolijkheid”, schrijft hij, “hetzij door de opium of, wat mij waarschijnlijker voorkomt, omdat ik verveeld was door alles wat zich voor lugubers had afgespeeld, en de behoefte voelde om mij te amuseren”.

Zijn zelfanalyse is gewoonlijk zo helder als de eerste dag van het voorjaar. Wat moet hij zich aangenaam beziggehouden hebben zolang hij beschouwelijk aan het werk was, zou de lezer denken. Dat was niet altijd zo. Hij werd gekweld door vrees voor de dood, zijn leven lang. Daar hielp geen contemplatie tegen. Ook de goklust waar hij van jongs af aan weinig weerstand tegen had, was een teken dat hij het niet makkelijk kon vinden met zijn gedachten.

Politiek

Het terrein waarop Constant kon genieten van zijn talenten bleef beperkt, maar niet beperkt tot het beschouwelijke. Het strekte zich uit tot de politiek. In 1801 en 1802 maakte hij deel uit van een adviserende overheidsinstantie, maar Napoleon vond hem te liberaal en werkte hem weg. De ruimte voor zijn politieke ambitie kreeg hij pas na de terugkeer van de Bourbons in 1815, hoewel niet meteen. Hij had een slechte beurt gemaakt door Napoleon zijn steun aan te bieden toen die terugkeerde van Elba.

De verbazing was algemeen, dat de liberale vrijheidsstrijder de partij koos van de autoritaire keizer tegen wie hij zich twaalf jaar verzet had. Hij gaf een verklaring: hij dacht dat Napoleon het nu anders aan zou pakken, maar voordat daar iets van had kunnen blijken waren de Honderd Dagen afgelopen. Constant kreeg weer met het oude koningshuis te maken en mocht blij zijn dat hij niet in ballingschap gestuurd werd. Hij ging maar weer een tijdje weg uit Parijs, naar Brussel en toen naar Londen waar in 1816 de eerste uitgave van Adolphe verscheen (in het Frans; de Engelse vertaling kwam drie maanden later).

In het najaar van 1816 was hij weer thuis. Toen begon de periode van zijn aanzien als politieke commentator in progressief-gezinde bladen; en in 1819 werd hij in de Chambre des Députés gekozen en maakte naam als redenaar. Zijn kracht was dat hij in alle debatten beheerst bleef en overzichtelijk argumenteerde terwijl zijn tegenstanders rood aanliepen van opwinding. Wie hem uit zijn geschriften kent kan zich iets voorstellen van hoe hij geklonken moet hebben. De meest vernietigende opmerkingen over zichzelf en anderen komen er in ongedwongen keurige formuleringen uit. Al had hij lang geen voorbeeldig karakter, na een paar uur met zijn werk komen zijn liefhebbers in een voorname stemming van respect en schuchtere verwantschap.

In zijn laatste tien jaar ging Constants gezondheid geleidelijk achteruit. Nadat hij bij een val een wond aan zijn been had opgedaan die niet volledig genas begon hij ook aan andere kwalen te lijden. Hij verbaasde zich dat hij het leven volhield tot 8 december 1830. Die dag lag hij 's ochtends in bed een deel te corrigeren van een van zijn geleerde werken waar haast niemand meer tijd voor heeft, De la religion. Hij voelde zich zwak en dacht niet dat hij de avond zou halen; en hij kreeg gelijk. Hij stierf niet aan een aanwijsbare ziekte, zeiden de artsen. Hij was op.

Zelfkennis

Het vergt gewenning dat in Woods boek alle Franse citaten vertaald zijn. Al sprak Constant behoorlijk Engels, en met plezier, om zijn denkbeeldige stemgeluid te laten onderscheiden is het Frans nodig. In 1816 verscheen Adolphe in het origineel in Londen; nu moeten zelfs de woorden De la religion vertaald worden (in Concerning Religion).

Binnen zijn beperkingen van taal en voorlopigheid brengt Wood zijn lezer toch begrip voor Constant bij. Al klinkt het Engels af en toe misplaatst; al moeten er nog gegevens ingevuld worden, en al vond ik de psychologische verklaring van Constants omgang met vrouwen te theoretisch, tenslotte is de man erin te herkennen, met zijn paar grote talenten en zijn zelfkennis die behalve een deugd ook zijn meest aantrekkelijke eigenschap was.