Alweer

De heuvels liggen in de zon, de struiken zitten vol met krassertjes. Er trekt een kudde geiten om ons heen, compleet met herder, honden, reigertjes - die reigertjes zo wit als uitgehangen was.

Ze springen op de dichtstbijzijnde geit en laten zich vervoeren, af en toe in wankel evenwicht. Dan op de grond. Dan schrijden ze, dan loeren ze, dan pikken ze. En in een wip weer op de dichtstbijzijnde geit.

Ze zijn op hun gemak gesteld, die reigertjes. Ze denken vast: de geiten zijn van ons. Ze denken vast dat zij de hoeders van de kudde zijn.

Alweer een uur, alweer een dag. Het woelen in je maag. Het knagen van je plicht. Je kinderen. Je vrouw. Je naam. Je zekerheid. Het grootse dat zo onderhand toch wel verricht had moeten zijn. Al was het maar een ouderdomspensioen.

Dan denk ik aan het stalen smoelwerk van de tijd. De tijd maakt het niet uit hoe hij verstrijkt, kan het niet schelen hoe jij je uren opgebruikt. Voor hem is elke dag gelijk, een even grote stap van het beginpunt van het eind.

Ik denk: hou jij je nou maar stil, zorg jij nou maar als straks de avond valt, dat je kunt zeggen: ik heb het naar mijn zin gehad vandaag.

De heuvels in de zon, de struiken vol met krassertjes, een kudde geiten om ons heen en witte reigertjes.