Zwijgen is goud

Zo'n half jaar geleden ging het in deze rubriek over een zakenman die een tip aan een verzekeringsmaatschappij wilde verkopen. Daardoor zou die verzekeringsmaatschappij kunnen voorkomen dat zij voor grof geld werd opgelicht. 'Spreken is zilver' moet die zakenman gedacht hebben. Maar dat was niet zo, want de rechter vond dat het onrechtmatig was om de verzekeringsmaatschappij deze informatie te onthouden, of om daar een flinke honorering voor te vragen (NRC Handelsblad 10 september 1993).

Een andere zakenman - gewoontegetrouw zullen wij hem maar X noemen - zat met het omgekeerde geval. Een b.v.'tje waarvan hij nog een flink bedrag tegoed had, was failliet gegaan. Volgens X was daarbij onbehoorlijk gedrag van de aandeelhouders van het b.v.'tje in het spel. Hij benaderde die aandeelhouders dus, en eiste dat zij zijn vordering op het failliete b.v.'tje zouden betalen. Anders zou hij een publiciteitscampagne beginnen om het beweerde wangedrag van de aandeelhouders aan de grote klok te hangen. “U kunt er van uitgaan dat de pers zit te wachten op een smeuiïg verhaal als dat van (...). U behoeft zich geen zorgen te maken dat alle media het oppakken, naast de advertenties die we zullen gaan plaatsen,” schreef X. Maar hij zal daarbij gedacht hebben: 'Zwijgen is goud'.

Weer mis, dus. De rechtbankpresident bij wie de aandeelhouders in kort geding vorderden dat het X zou worden verboden om met de zaak in de publiciteit te komen, noemde het optreden van X 'regelrechte chantage', en daarom zonder meer onrechtmatig.

Een uitkomst waarmee bijna iedereen wel vrede zal hebben, denk ik. En toch .... X had zich (natuurlijk) ook beroepen op zijn recht van vrije meningsuiting. Dat recht staat, zoals u weet, hoog aangeschreven. X had daarbij, misschien niet 100 procent oprecht, aangevoerd dat hij vond dat hij het algemeen maatschappelijk belang moest dienen door de vermeende misstanden aan de kant van de aandeelhouders voor het voetlicht te brengen. Dat schoot bij de President in het verkeerde keelgat: X had immers van publicatie willen afzien, als hij betaald werd. Het zou, zei de President, onacceptabel zijn dat X, onder het mom het maatschappelijk belang te dienen, nu onbelemmerd de sanctie zou mogen toepassen die hij op het niet zwichten (door de aandeelhouders) voor zijn bedreigingen had gesteld.

Ook in dit opzicht is men geneigd het van harte van met de President eens te zijn. En toch ... de vrijheid van meningsuiting is er niet alleen, en misschien zelfs niet in de eerste plaats, voor uitingen met een oncontroversiële inhoud. Hij is er ook voor 'information' or 'ideas' ... that offend, shock or disturb' zoals het Europese Hof voor de Rechten van de Mens het heeft gezegd. En als we nu eens veronderstellen dat de mededelingen die X wilde doen, inhoudelijk juist waren, en dat er inderdaad een maatschappelijk belang mee gemoeid was dat die informatie openbaar gemaakt werd (overigens twee dingen ten aanzien waarvan de President liet blijken, dat hij ze bepaald twijfelachtig vond) - zou dan het feit dat X de publicatie kennelijk alleen als drukmiddel bedoelde voldoende zijn, om hem zijn recht op vrije meningsuiting te ontzeggen?

In een aantal beslissingen van het Europese Hof vindt men aanwijzingen dat de bedoelingen waarmee een meningsuiting wordt gedaan, wel in aanmerking mogen worden genomen bij de beoordeling van de geoorloofdheid daarvan. Daarbij ging het echter telkens om gevallen waarin de goede of kwade bedoelingen als één van de relevante wegingsfactoren in aanmerking werden genomen, naast de nodige andere. Hier zou het gaan om het verbieden van een op zichzelf geoorloofde uiting, alléén omdat die met minder verheven bedoelingen wordt gedaan. Dat gaat wel ver. Het opent ook, als men die mogelijkheid eenmaal heeft erkend, een ongemakkelijk brede speelruimte om de rechtmatigheid van meningsuitingen in twijfel te trekken. Want er wordt heel wat gepubliceerd op grond van motieven, die bepaald niet loffelijk mogen heten.

Toch kies ik per saldo vóór het principiële standpunt dat de President heeft ingenomen. Wie meent dat een ander hem geld schuldig is behoort zo'n vraag aan de rechter voor te leggen. Als men zijn zaak kennelijk te zwak vindt om een procedure aan te durven, behoort men zo'n zaak niet 'kracht bij te zetten' door de eigen (allicht eenzijdige) visie op grote schaal in de publiciteit te ventileren.

'Spreken is zilver, zwijgen is goud' geeft misschien het koersverschil aan tussen deze twee manieren om met informatie om te gaan. Bij het werkelijk omzetten van spreken of zwijgen in klinkende munt heeft men aan deze koerstip beslist niet genoeg.