Werkloosheid bij allochtonen gevolg van bewuste uitsluiting

Bij gelijke geschiktheid van sollicitanten valt de allochtone kandidaat af. Frank Bovenkerk, Mitzi Gras en Dhurender Ramsoedh pleiten voor een krachtiger wettelijke aanpak van deze discriminatie.

Mustafa El Mansouri is twintig jaar geleden uit Marokkaanse ouders in Nederland geboren en woont nu in Utrecht. Vanochtend heeft hij in de krant een vacature gelezen voor de functie van verkoper bij een groot bedrijf. Zijn leeftijd, opleiding en werkervaring komen precies overeen met wat wordt gevraagd. Dat is niet toevallig want Mustafa is niet helemaal wie hij voorgeeft te zijn. Hij is eigenlijk student en doet mee aan een wetenschappelijk experiment naar rassendiscriminatie bij het aannemen van personeel. Zijn opdracht luidt te solliciteren en als hij naar het bedrijf opbelt, moet hij de kans om te worden aangenomen zo groot mogelijk maken door de best mogelijke kwalificaties voor te wenden. Hij meldt zich in accentloos Nederlands en krijgt te horen: “Hé Mustafa, broeder, je belt een beetje laat, joh! We hebben net iemand aangenomen.” Tien minuten later belt de eveneens twintigjarige Hollandse Ruud de Wit met dezelfde vraag naar dezelfde werkgever. Er ontspint zich een telefoongesprek dat uitloopt op het verzoek om vanmiddag langs te komen want 'we hebben nog niemand'. Om niet te concurreren met echte sollicitanten, belt Ruud de Wit vijf minuten later dat hij er bij nader inzien toch maar vanaf ziet.

Hier is ondubbelzinnig sprake van discriminatie. De sollicitanten worden ongelijk behandeld terwijl zij voor de functie even goed gekwalificeerd zijn. Omdat het enige verschil de etnische afkomst is, kan die ongelijkheid op niet anders berusten dan discriminatie. Het experiment wordt bij honderden nieuwe vacatures herhaald om te onderzoeken of discriminatie systematisch voorkomt. Dit levensechte experiment is een betere methoden van onderzoek dan met het enquêteformulier langs te gaan, want welke personeelschef of werkgever geeft toe dat hij sollicitanten achterstelt om hun ras of hun etnische afkomst?

De zeer hoge werkloosheid vormt het meest hardnekkige maatschappelijke probleem voor sommige van de in Nederland gevestigde immigrantengroepen die worden gerekend tot de doelgroep van het minderhedenbeleid. Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers zijn drie of vier maal zo veel werkloos als het Nederlandse gemiddelde en hun jonge generatie staat er niet beter voor. Wordt die hoge werkloosheid vooral veroorzaakt door gebrekkige kennis van het Nederlands en hun naar verhouding lage opleidingsniveau? Of worden zij in de eerste plaats buiten de arbeidsmarkt gehouden via discriminatie? De antwoorden op deze vragen zouden bepalend moeten zijn voor een effectief minderhedenbeleid. Is de eerste veronderstelling juist dan ligt het uitoefenen van enigerlei vorm van dwang op de leden van etnische groepen om vooral de Nederlandse taal te leren voor de hand en doet de overheid er goed aan allerlei cursussen aan te bieden. Is de tweede hypothese juist dan doet de overheid er goed aan het reeds bestaande non-discriminatieverbod af te dwingen.

Zestien jaar geleden hebben we met zo'n experiment op de arbeidsmarkt in Amsterdam - toen testten wij ongelijke behandeling van Surinaamse en Spaanse sollicitanten - aangetoond dat in ten minste 20 procent van de in totaal 278 gevallen werd gediscrimineerd. Die resultaten (gepubliceerd in het boek Omdat zij anders zijn) baarden opzien omdat Nederlanders zich toen nog vrij waanden van rassendiscriminatie. Dit onderzoek werd gebruikt in het rapport Etnische minderheden van de wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in 1979 en droeg ertoe bij dat in het minderhedenbeleid dat er in 1980 op volgde aan de strijd tegen racisme en discriminatie hoge prioriteit werd toegekend.

In zestien jaar is veel veranderd. Er groeide een generatie van etnische groepen op die goed Nederlands spreekt omdat zij het volledige onderwijs hier heeft doorlopen; er kwam een ambitieus minderhedenbeleid; er is tussen werknemers en werkgevers overeengekomen dat 60.000 arbeidsplaatsen aan minderheden worden toegewezen; de wetgeving tegen discriminatie is uitgebreid en verscherpt. Is de discriminatie daardoor minder geworden? Zojuist hebben we in opdracht van het International Labour Office te Genève het experiment herhaald als onderdeel van een groter onderzoeksproject omtrent rassendiscriminatie en de bestrijding daarvan op de arbeidsmarkt en dat onderzoek zal op identieke wijze worden uitgevoerd in meer dan tien ontwikkelde industrielanden. In Nederland is ervoor gekozen om voor wat betreft de sector van laaggeschoolde arbeid het niveau van discriminatie tegenover Marokkaanse sollicitanten te meten.

Wordt er in Nederland nog steeds gediscrimineerd? In totaal hebben onze onderzoeksduo's thans telefonisch gereflecteerd op 257 vacatures. Resultaat: in ten minste 38 procent van de gevallen is er sprake van discriminatie (zie kader). Helemaal zuiver kan de vergelijking met het onderzoeksresultaat van zestien jaar terug niet zijn want daarvoor verschillen de de experimentele condities te veel, maar de verdubbeling van het discriminatieniveau is wel zo groot dat je veilig kunt zeggen dat discriminatie is toegenomen. Hoe dat precies komt? Het kan te maken hebben met een ruimere arbeidsmarkt, met de etnische groep waarmee is getest en nog meer. De gekozen onderzoeksmethode is ongeschikt om deze vraag te beantwoorden. In ieder geval is de mate van discriminatie zeer aanzienlijk.

Het minderhedenbeleid van de jaren tachtig met z'n nadruk op de bestrijding van racisme en discriminatie is in 1989 in een nieuw rapport Allochtonenbeleid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ten grave gedragen. In dit tweede rapport is de grote werkloosheid onder etnische minderheden op het conto geschreven van de grote economische veranderingen die lagergeschoolden uit de arbeidsmarkt hebben gedrukt. Bovendien is veel van de werkgelegenheid voor lager geschoolden naar buiten de grote steden verplaatst terwijl de minderheden daar zijn blijven wonen. Het woord racisme komt in dit document niet meer voor en in zijn aanbevelingen voor beleid legt de Raad de nadruk op Nederlands leren en het volgen van opleidingen. Deze aanbevelingen zijn overgenomen en het minderhedenbeleid bestaat nu vooral en in de eerste plaats uit meer onderwijs. Onderzoek als dat wat wij nu hebben uitgevoerd, laat echter zien dat je er dan nog niet bent. Zeker: beheersing van de Nederlandse taal is een sine qua non, maar wat heeft het voor zin om een opleiding te volgen als je met een diploma op zak tegen discriminatie oploopt?

Sedertdien is het minderhedenvraagstuk sterk gepolitiseerd. Op het ogenblik dat de lasten van de verzorgingsstaat te zwaar gingen drukken, werden de minderheden aangewezen als een van de eerste groepen die waren 'doodgeknuffeld' door alle speciale zorg, ze dienden te beseffen dat zij niet alleen rechten hebben maar ook plichten en ze moesten nu maar eens ophouden om het Hollandse schuldgevoel te exploiteren door te pas en te onpas met de beschuldiging van racisme op de proppen te komen. De opmars van extreem-rechts heeft met die harde opstelling direct te maken. Politici willen de autochtone stadsbewoners terugwinnen door te luisteren naar hun verhalen over armoede, onveiligheid en de overlast die immigranten dezen wel degelijk bezorgen. Er zijn weinig bona fide politici en bestuurders meer te vinden die in de oude wijken durven uitleggen dat het minderhedenbeleid strekt tot heil van ons allen omdat zonder deze ingreep de komst van een racistisch geordende samenleving niet valt te voorkomen. Binnen de industriebond van het FNV wordt zelfs krachtig stelling genomen tegen positieve discriminatie ofschoon dat beleidsinstrument, ondanks veel publiciteit daarover, bijna nergens werkelijk wordt toegepast.

Met ons onderzoek hebben we aangetoond dat er in maar liefst 38 procent van de sollicitaties op laaggeschoolde banen door de werkgevers wordt gediscrimineerd; Mustafa El Mansouri wordt niet geweigerd omdat hij onvoldoende opleiding heeft genoten maar vanwege zijn Marokkaanse afkomst. Het is de vraag of de kortgeleden in het parlement aangenomen Wet bevordering arbeidsmarktkansen allochtonen - waar geen krachtig handhavingsinstrument aan is verbonden - hiertegen voldoende soelaas biedt.