Waar gaat het heen wat ik schrijf?; Gloedvolle lezing en zwak verhaal van de jonge Mulisch

Harry Mulisch: Twee opgravingen. Ik Bubanik / Op weg naar de mythe. Uitg. De Bezige Bij, 124 blz. Prijs ƒ 36,50

“Het is niet moeilijk om in Nederland een schrijver van belang te zijn”, schreef Harry Mulisch in 1956, “maar ik ben liever niets naast Dostojewsky dan 'iets' naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan. Zo ijdel ben ik wel.” Nu, achtendertig jaar later, geeft hij die uitspraak enig reliëf met de publikatie van Twee opgravingen, want uit deze opgegraven jeugdzonden blijkt inderdaad hoezeer de jonge Mulisch onder de indruk was van de grote Rus.

'Ik, Bubanik', een verhaal uit 1947, bestond tot dusver alleen in de vorm van de samenvatting die hij er in Voer voor psychologen van gaf: “Ik schreef een grote novelle over een soortement 'verlosser', die het hele mensdom wilde vermoorden, de babies uitgezonderd, en deze wilde opvoeden met een taal, waarin alle woorden voor het 'slechte' en 'negatieve' ontbraken; zij zouden het dan ook niet meer kunnen dóen, want dat kwam uit de taal voort.” En hij voegde daaraan toe: “In allerlei schijngestalten en maanfasen waart sindsdien 'de verlosser' door mijn werk.”

Inderdaad, en omdat dat een van de eigenaardigste trekjes van zijn werk is, was er dus reden genoeg om nieuwsgierig te zijn naar dat verhaal. Maar ik moet zeggen dat die samenvatting in Voer voor psychologen eigenlijk beter is dan het verhaal zelf, want met de moordplannen van die verlosser blijkt het reuze mee te vallen: Bubanik is bij lange na niet die sinistere combinatie van een misdadiger en een heilige die je op grond van die samenvatting zou verwachten. Als dostojevskiaanse held is hij jammerlijk mislukt: niet meer dan een raar heerschap in een verhaal dat blijft steken in een idee.

Het begint heel aardig, met de ontmoeting tussen Oldenburg en Bubanik in een stationsrestauratie, maar in het tweede hoofdstuk loopt het verhaal vast in de uiteenzetting van Bubaniks ongeloofwaardige verlossersproject, dat helaas meer aan Jean-Jacques Rousseau doet denken dan aan Dostojewski.

Jammer. Het enige wat dit verhaal bewijst, is dat hij inderdaad begonnen is als 'niets naast Dostojewsky', en dat het hem als beginnend schrijver veel moeite heeft gekost om een veelbelovend idee om te zetten in een goed verhaal. Dat hij in 1958 besloot het te verbranden kan ik mij goed voorstellen. Maar in 1980 dook onverwacht nog een verloren gewaande versie op en verknocht als hij blijkbaar is aan de 19-jarige die hij ooit was, heeft hij dit zwakke jeugdwerkje alsnog een praalgraf bezorgd.

Met de tweede opgraving ligt dat anders, dat is een lezing uit 1954, getiteld 'Op weg naar de mythe', en die geeft - hoe gedateerd inmiddels ook - een interessant inzicht in de ideeën en opvattingen van de 26-jarige Mulisch over literatuur.

Het is een tekst die getuigt van grote ambities en als hij eenmaal aan het speculeren slaat, dan levert hij geen half werk. Uitgaande van de vraag “waar gaat het heen wat ik schrijf?” ziet hij er niet tegenop een theorie te ontwikkelen die uiteindelijk de hele geschiedenis van de mensheid omvat, van oertijd tot 1954. Het is bloedstollend en vermakelijk tegelijk.

Hier zien we een gedreven theoreticus aan het werk, die om te beginnen van zichzelf verklaart dat hij geen 'zuiver kunstenaar' is: “Ik ben vermoedelijk pas in de tweede plaats een kunstenaar, en dit is van meet af aan een gevaar voor mijn kunstzinnige werk geweest. Want behalve tot 'scheppen' dwingt mijn habitus me ook nog tot begrijpen van het geschapene, tot inzicht en overzicht . . .”

En aan verrassende inzichten en overzichten ontbreekt het niet (tot en met het curieuze schema, “dat ik nu op het bord zal tekenen”, en dat is afgedrukt op pag. 99). Eens te meer blijkt hier dat Mulisch als leverancier van adembenemende speculatieve theorieën zijn gelijke niet kent.

Het is ondoenlijk, die theorie hier kort samen te vatten, maar ze geeft onder meer een antwoord op de vragen waar de goden vandaan kwamen, waarom de psychologische roman passé is, wat Dostojevski en Mann voor Mulisch betekend hebben en welke rol Freud en Jung in zijn literatuuropvatting spelen. Het geheel is een uniek mengsel van jeugdige bevlogenheid, geleerd aplomb (“Men kan dit schema beschouwen als de uitdrukking van de gekromde psycho-physische ruimte”) en gloedvolle observaties over literatuur en filosofie.

“De lezing duurde veel te lang”, merkt Mulisch in zijn verantwoording droog op, “en na afloop keek ik in de ogen van een tamelijk verbijsterd publiek, dat kennelijk een andere voorstelling had gehad van een literaire voordracht.”

Ik zie het voor me: ze moeten zich ongeveer zo gevoeld hebben als die chimpansees die in de jaren zestig plotseling tot astronauten gepromoveerd werden. Maar dit krasse staaltje van literaire ruimtevaart voegt wel iets toe aan het oeuvre: ik had het niet graag willen missen.

    • Piet Meeuse