Vrijdag 18; Woorden in hoofden

Natuurlijk kan men best leven zonder poëzie, maar de wereld zou zo anders zijn. Van sommige gevoelens zou je misschien niet eens weten dat je ze had. Ik had nog nooit gedacht aan de stilte van de wereld voor Bach tot Lars Gustafsson schreef over kerken 'waar de sopraanstem uit de Johannes Passion/ zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde/ rond de mildere windingen van de fluit' en zo de suizende afwezigheid van Bach hoorbaar maakte. 'Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank.'

Veel mensen kunnen daar gemakkelijk zonder, zo is deze dagen van alle kanten benadrukt. Zij hebben geen behoefte aan iemand die beweert dat er dagen zijn die 'heel hevig naar weinig' smaken 'als de dag van een uitgesteld afscheid'. Het is voor hen niet nodig dat men opmerkt 'Zo helder is het werkelijk zelden' of 'het is zo vandaag als altijd'. Voor al die niet-lezers is de lucht nooit 'naakt als een aspirinetablet' en wat er ook gebeurt, in hun hoofd klinkt geen stem die zegt: “de dagen zijn lichtreuzen/ daar wandel ik laag tusschen”. Dat is wel jammer, voor diegenen met die hoofden zonder die regels erin, want zulke regels maken de dagen enorm veel draaglijker. Volgens mij is het leven veel moeilijker, zonder poëzie.

Poëzie bestaat in de praktijk voor een belangrijk deel uit regels die rondslingeren in hoofden en met hun aanwezigheid de blik richten. Die regels heeft de eigenaar meestal zelf gevonden in een groter gedicht dat hem ontvankelijk maakte voor nu juist die ene regel of die ene strofe. Zo kan niemand het sextet van Willem Kloos' prachtige sonnet 'Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten' voldoende op waarde schatten zonder ook het octaaf te kennen, waarin sterkte en kracht worden benadrukt. Pas daarna, na die acht regels machtsvertoon, laten de laatste regels (“En tóch, zoo eind'loos smacht ik soms om rond/ uw overdierbre leên den arm te slaan”) zonder terughouding zien hoe weerloos men kan willen zijn. Of hoe groot verlangen kan zijn. Of de behoefte aan overgave. Ik vraag me werkelijk wel eens af of iemand die nooit een gedicht leest dat wel weet.

Toch kun je een gedicht niet bij iemand naar binnen proppen die er geen zin in heeft. Je kunt ook niemand dwingen om van Schubert te houden of verliefd te worden. Er kan moeilijk een plicht tot poëzielezen ingesteld worden, daar zou de poëzie trouwens ook helemaal niet door gered worden. Maar laten we iets anders doen. Laten we de poëzie niet meer zo belachelijk hoog verheffen. Laten we haar maar gewoon vinden, iets van alledag en altijd. Een kunstvorm die zicht uitspreekt over 'de hartverscheurende belichting' waarin de rozebottels op het etiket van een potje Rademakers jam staan, die vragen stelt als: “Hoe is dat zo geworden/ Van altijd komen slapen/ Tot nooit meer willen zien?”, die ons opgewekt toeroept: “Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping./ Is U de zachte nacht bevallen”.

    • Marjoleine de Vos