Voortijdig applaus doet afbreuk aan mooi concert

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons m.m.v. Heinrich Schiff, cello. Programma: R. Strauss: Don Quixote; P.I. Tsjaikofski: Zesde symfonie. Gehoord: 16/3 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling 18/3. Radio-uitz.: 23/3 Avro Radio 4 (opn. 18/3).

Eén keer per seizoen mag een muziekcriticus een recensie schrijven over het publiek dat net als het orkest een integraal onderdeel is van een concert: aandacht, betrokkenheid en kennis van zaken bij de toehoorders zijn - ook vóór het slotapplaus - een onderdeel van de goede sfeer rond het musiceren, dat daardoor wordt gestimuleerd. Een goed publiek kan daarmee iets toevoegen aan het belang van een concert als artistieke gebeurtenis.

Woensdagavond, op de dag dat het Koninklijk Concertgebouworkest programmatisch een nieuwe toekomst uitzette met wat minder automatische aandacht voor het ijzeren 19de-eeuwse repertoire, gaf het orkest onder leiding van Mariss Jansons een concert met twee populaire topstukken uit het 19de-eeuwse repertoire: Don Quixote (1897) van Richard Strauss en de Zesde symfonie 'Pathétique' (1893) van Tsjaikofski.

Tijdens Don Quixote gedroeg het publiek zich ideaal: op een miniem kuchje na heerste er een geconcentreerde stilte in de zaal die sterk leek bij te dragen dat de uitvoering bijna boven zichzelf uitsteeg en geïnspireerder klonk dan het geval zou zijn geweest bij bij voorbeeld een cd-opname in een lege zaal.

Na de pauze was die geacheveerde houding weg en voor de zoveelste keer begon het Amsterdamse publiek weer eens automatisch te klappen na het frenetiek luidruchtige derde deel van de Pathétique - alsof veel lawaai altijd betekent dat het stuk is afgelopen. Bij de Pathétique gaat het er al een eeuw juist om dat daarna het Adagio lamentoso volgt: een uitbeelding van de dood zelf. Het aangrijpende, zelfs verpletterende effect dat die desastreuze finale kan hebben na die morbide mars was onmogelijk met in de oren nog dat enthousiaste applaus dat maar voortduurde tot het publiek eindelijk in de gaten kreeg dat men zich gedroeg als amateur-muziekliefhebbers.

Wat er op het podium gebeurde behoeft geen enkele kritiek: dat was de hele avond briljant en geweldig. Heinrich Schiff speelde een prachtige cello-partij in Don Quixote. Maar toch: vroeger speelde het Concertgebouworkest zo'n stuk met solisten uit eigen gelederen en dus met Tibor de Machula als cellist. Godfried Hoogeveen, nu solo-cellist en leerling van De Machula, had het misschien anders, maar vast even fantastisch gedaan.

    • Kasper Jansen