Trek mij naar U toe!; Het Hooglied van de begijnen: doordrenkt van doodsverlangen

God is voor de mystica niet onbereikbaar; Hij is de minnaar die haar aanraakt en aantrekt. Op de tentoonstelling 'Hooglied' in Brussel is te zien hoe de begijnen uitdrukking gaven aan hun brandende liefde voor Christus. Het bestaan van deze religieuze vrouwen blijkt vol van 'verzuchtingen en lijden'. Voor vreugde en schoonheid is nauwelijks plaats.

Hooglied, De beeldwereld van religieuze vrouwen in de Zuidelijke Nederlanden vanaf de 13de eeuw. Tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten, Koningstraat 10, Brussel. Tot 22 mei. Geopend di-zo 10-17 uur. Catalogus, 311 blz., 180 kleurenfoto's, 980 BF.

Bij het verlaten van de lagere school kregen wij als afscheidscadeau van de directeur van de dr. Herman Bavinckschool een zakbijbel uitgereikt. Ik was wel in het bezit van een psalmboekje, gekregen van mijn grootouders op mijn zesde verjaardag, maar een eigen bijbel had ik tot op dat moment niet. Dat was ook niet nodig, want er waren bij ons thuis bijbels genoeg, van grote tot kleine en in diverse vertalingen.

Maar een eigen bijbel is toch iets anders. Die zomer bracht ik samen met een vriendin lange uren op mijn kamer door. Wij lazen het Hooglied. Mijn vader had, zo begreep ik nu, al die jaren bij het dagelijks bijbellezen de liefdesliederen van koning Salomo (op een enkel fragment na) overgeslagen. Het Hooglied was een geweldige ontdekking. Dat zoiets in de Bijbel stond! 'Lied van den bruidegom op de schoonheid der bruid', 'Liefdesdroom der bruid', 'Beurtzang van bruid en bruidegom'. Het lezen ervan was ontegenzeggelijk spannend en opwindend. “Zie, gij zijt schoon, mijn geliefde, ja, heerlijk, en lommerrijk is onze legerstede, de balken van ons huis zijn ceders en onze panelen cypressen. Ik ben een narcis van Saron, een lelie der dalen ...”

Veel van de symboliek ontging mij natuurlijk, maar dat hinderde niet. Ik begreep wel dat het hier niet alleen ging om de liefde tussen een man een vrouw, maar dat het Hooglied ook een afspiegeling was van een ander soort liefde, van een 'hogere' liefde, die tussen de Zoon van God en zijn gelovigen. Dat deed niets aan de ervaring af. De idee dat iets aards en concreets ook een andere, diepere betekenis kon hebben, maakte het alleen maar mooier. Het betekende een verzoening van aardse met een metafysische schoonheid. Met de strenge wetten van het geloof leek het misschien toch nog wel mee te vallen.

Poppenkast

In het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten is een tentoonstelling getiteld 'Hooglied' gewijd aan de beeldwereld van religieuze vrouwen in de Zuidelijke Nederlanden vanaf de 13de eeuw. Mijn nieuwsgierigheid was dus groot. In totaal 265 objecten: schilderijen, retabels, sculpturen, reliquaria en 'Besloten Hofjes', zijn hier bijeengebracht, afkomstig uit Belgische vrouwenkloosters en begijnhoven. Het is voor het eerst dat ze aan het publiek worden getoond.

Voor begijnen 'is de minne al', zoals zij het zelf zeggen. Begijnen zijn vol van een brandende liefde voor Jezus. Zij hebben door de eeuwen heen aan deze liefde op welsprekende wijze uitdrukking gegeven. Lees bijvoorbeeld dit gebed van Gertrudis van Helfta (1256-1302): “En wanneer dat verlangde, begeerde en geliefde gelaat van mijn Jezus zien, de aanblik waarnaar mijn ziel zo lang heeft gedorst en gesmacht? Wanneer, ach wanneer vertoont gij uzelf aan mij, opdat ik u kan zien en uit u kan putten, mijn God, gij bron van mijn leven? Dan zal ik drinken, en ik zal dronken zijn van de overvloed aan zoetheid van deze levende bron, die ontspringt uit zaligheid van dat heilig gelaat, waarnaar mijn ziel verlangend hunkert. Gij bemind gelaat, wanneer zult gij mij bevredigen?”

Spotnaam

Niet bekend

Volgens andere bronnen was de Vrije Geest-beweging een beweging van ernstige godzoekers. De Broeders en Zusters leidden een religieus bestaan van zwerven en armoede, net als bijvoorbeeld de Franciscanen. Onder de begijnen bestonden twee richtingen. Er waren begijnen die vanuit een apostolische inspiratie in groepen samen leefden op een vaste plaats; zij wijdden zich vooral aan het verzorgen van zieken. Anderen, zoals Porete, zwierven predikend en bedelend rond. In de 17de eeuw kwam onder toenemende druk van de kerk aan dit zwerven een einde. Sindsdien wonen, tot op de dag van vandaag, begijnen afgezonderd in hun begijnhoven.

De begijnen ontwikkelden een 'Minnemystiek', waarvan de dichteres Hadewych de beroemdste vertegenwoordigster is. Zij zijn 'bevindelijke' religieuze vrouwen wie het gaat om de emotionele ervaring van de goddelijke nabijheid. God is voor de mystica niet onbereikbaar; Hij is de minnaar die haar aanraakt en aantrekt. Maar tegelijkertijd blijft Hij altijd de Ander, zodat de begeerte steeds verder moet reiken. 'Trahe me post te!' - trek mij naar U toe, staat vaak te lezen onder door begijnen gekoesterde schilderijen. De symboliek van het Hooglied speelt in dit alles een centrale rol. Zij beschouwen zich als bruiden van Christus. Als symbool hiervan krijgen zij, zoals bekend, bij hun inwijding een trouwring aan de vinger geschoven. Hoe zouden zij hun voorstellingswereld tot uitdrukking brengen?

Wie met dit soort verwachtingen de expositie bezoekt komt bedrogen uit. Ik had mij moeten laten waarschuwen door een bijzinnetje in het persbericht, waarin vermeld wordt dat het bestaan van deze religieuze vrouwen vol is van 'verzuchtingen en lijden'. Ik begreep al niet wat lijden en droeve verzuchtingen te maken konden hebben met het Hooglied. Maar vreemd genoeg is er, hoewel het Hooglied de leidraad is in hun religie, voor vreugde en schoonheid nauwelijks plaats in de beleving van de begijnen. Hun kunstwerken en devotie-objecten hebben dan ook bitter weinig te maken met het Hooglied zoals ik het las.

Aan het begin van de tentoonstelling hangt een schilderij getiteld 'De Zwartzusters vereren de Triniteit'. Het is een anoniem doek uit 1714, afkomstig van de Zusters van Overijse in Mechelen. Het toont 23 Zwartzusters, streng symmetrisch in twee rijen opgesteld, met de handen gevouwen knielend op de grond. Niet alleen hun zwarte habijten en witte sluiers, maar ook hun gezichten zijn identiek: dikke boersige koppen met knobbelneuzen, allemaal met een bête glimlach op het gezicht. Achter hen op de muur tekent zich een visioen af van de Drieëenheid gezeten op opbollende wolken. De zusters kijken strak vóór zich. Het visioen is immers niet echt te zien, het is alleen waarneembaar voor het innerlijk oog.

Kastijden

De Zusters leven met de wereld op vijandige voet. Van een weerklank tussen aardse en metafysische schoonheid, zoals in het Hooglied, is hier geen sprake, integendeel: hun hele leven is erop gericht om afstand te doen van al wat tastbaar en mooi is. Zo kastijden en kwellen zij hun lichaam om de ziel te bevrijden. Op de expositie zijn martelwerktuigen hiervan de stille getuigen, zoals een 15de-eeuwse boete-armband, een ijzeren schakelband met scherpe punten aan de binnenkant. Dergelijk banden werden op diverse plaatsen aan armen en benen gedragen en veroorzaakten bloedige, zwerende wonden; een praktijk die pas in de jaren zestig werd afgeschaft maar ook nu nog sporadisch voorkomt. De lichamelijke zelfkwelling heeft natuurlijk ook een extatisch aspect. De rode draad door de tentoonstelling is deze totale gespletenheid: een conflict tussen lichaam en geest, en een tegenstrijdige houding ten opzichte van het eigen lichaam.

De vroegmiddeleeuwse Maaslandse psalters in het bezit van de begijnen, waarvan er enkele fraaie voorbeelden op de expositie aanwezig zijn, maken duidelijk hoe zij het Hooglied op zichzelf van toepassing achtten. Aan de psalmen, die in acht groepen waren verdeeld, bestemd voor het ochtendgebed en voor de zondagse vespers, was een Latijns of Frans gedicht van 150 kwatrijnen toegevoegd, het zogenaamde Officie van de Heilige Maagd. Het dagelijks opzeggen hiervan werd aanbevolen als geestelijke oefening. Hoofdthema van het Officie is het Mystiek Huwelijk van de religieuze vrouw met haar hemelse Bruidegom. In de tekst wordt veelvuldig geciteerd uit het Hooglied. De vereniging van de 'minnende ziel' met haar Geliefde is het uiteindelijke doel van de begijn. De mystica - lang niet ieder begijn - kan deze vereniging al tijdens het aardse leven ervaren. De definitieve vereniging zal tenslotte in eeuwigheid plaatsvinden in het Paradijs.

Het Paradijs is, in de voorstelling van de begijnen, de woning van de Drieëenheid. De Mystieke Bruiloft, het Paradijs, en het geheim van de Drievuldigheid: dit zijn de hoogste betrachtingen van de mystica en, in afgezwakte vorm, van iedere kloosterlinge. Uit deze overtuiging ontstond in de 12de eeuw een ware cultus van de eucharistie. Ook het idee van de Transsubstantiatie, van het brood dat vlees wordt, stamt uit deze tijd.

Op de expositie is een aantal 'Besloten Hofjes' te zien. Dit zijn houten kastjes waarin Maria, soms met andere vrouwelijke heiligen, staat afgebeeld met Jezus op haar arm, of naast haar gekruisigde zoon op Golgotha. Zij zijn omrankt door lover, druiventrossen, granaatappelen, leliën en wat dies meer zij. Merkwaardige poppenkastachtige gevallen zijn deze Hofjes, en de versiering kan klaarblijkelijk niet overdadig genoeg zijn. Iedere bloem en tak heeft symbolische betekenis. Vaak zitten er ook nog relieken in kleine houdertjes tussen gestopt. Anders dan de schilderijen en beelden, die de begijnen bestelden bij (tweederangs) kunstenaars, vervaardigden zij de Hofjes zelf. Zij verbeeldden hiermee hun droom van het Huwelijk in het Paradijs.

Maar alvorens de droom werkelijkheid kon worden moesten de begijnen een lange, eenzame weg van 'versterving' afleggen. Hun inwijding is slechts het begin van wat zij de weg van het Kruis noemen, van toenemende onthechting en zelfontkenning. Nadat de mystica, in navolging van Jezus, deze lijdensweg heeft afgelegd zal zij een persoonlijke band hebben met 'de enige volmaakte en goede Man, Christus'.

Een zak gebeente

In een tekst uit het begin van de 12de eeuw beschrijft abt Thomas van Sint-Trudo het gedrag van de heilige Christina de Wonderbare (1160-1224). Hij vertelt hoe ze zich voor het altaar wierp 'als een zak vol droog gebeente', zich op het lichaam sloeg met beide vuisten en het verwenste vanwege zijn stoffelijkheid. Daarna vereenzelvigde ze zich juist met haar lichaam en verwenste haar ziel: waarom 'wou deze het lichaam niet verlaten om het te laten rusten?' Dan weer raakte ze 'ontstoken in goddelijke minne', lachte, nam haar voeten in de handen en loofde het lichaam om zijn trouwe gehoorzaamheid aan hetgeen de ziel het opdroeg. Ze kuste haar lichaam meermaals en stelde het gerust: na het Laatste Oordeel zou het in verheerlijkte staat voortleven. Van deze Christina stond bekend dat ze ondermeer extreme koude en hitte kon verdragen en dat er melk en geneeskrachtige oliën uit haar borsten vloeiden. Wanneer ze in extase verkeerde steeg ze op om plaats te nemen op een boomtop of een torenspits. Een ongedateerd doek, afkomstig uit de Kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopneming in Sint-Truiden, toont de heilige met engelenvleugels zwevend hoog boven de stad.

De tentoonstelling in Brussel is de meest bizarre tentoonstelling die ik ooit zag. De samenstellers hebben hun uiterste best gedaan om de bezoekers te laten ervaren wat de kruisweg van de begijnen inhoudt. De expositie is doordrenkt van een doodsverlangen, meer nog dan van een brandende liefde voor Jezus, of, in mystieke termen, van een allesverterend verlangen om één te worden met het Absolute - maar misschien is dit alles voor een begijn wel min of meer hetzelfde. Het lijden kon niet gruwelijk genoeg verbeeld worden. 'Jésus Miséricorde!', staat er naast een gravure van 'Het Ware Aanschijn'. Het dode gelaat van Jezus afbeelden was niet genoeg: dieprood bloed stroomt uit zijn ogen, zijn mond, en uit de wonden van de doornenkroon op zijn hoofd. Ook op de schilderijen worden zijn wonden steeds zo afschrikwekkend mogelijk getoond.

Hoe verder de bezoeker komt op de tentoonstelling, hoe duisterder en bedompter de zalen worden. Strenge portretten van Zwartzusters en Grauwzusters met witte sluiers hangen op een lange rij. Zij staren voor zich heen met nietsziende, in zichzelf gekeerde blik. Tientallen reliekschedels staan in vitrines bij elkaar. Ze dragen kleurige, rijkversierde kapjes, en goudborduursel bedekt het aangezicht, wat evenwel niet verhindert dat er hier en daar een holle oogkas zichtbaar wordt. Sommige dragen zelfs een kroon. Dit is nog wel het meest wrang van alles: de begijnen krijgen een met juwelen bezette 'Bruidskroon' op het hoofd bij het sterven.

Eerst dacht ik dat ik het me verbeeldde, maar in de laatste donkere zalen hangt een ondefinieerbare weeë geur, een soort lijkenlucht leek het, of misschien kwam het doordat deze objecten voor de eerste maal hun bewierookte kapellen hebben verlaten. Het einde van de rondgang kwam als een ware verlossing - in zoverre hebben de samenstellers hun doel bereikt. Maar was dit nu het Hooglied? Deze afschrikwekkende schilderijen en objecten konden mij nog geen moment aanzetten tot meditatie over een gelukzalige eenwording met de Geliefde. Hoe kunnen kunstwerken überhaupt aanzetten tot gedachten over het hogere wanneer schoonheid verboden is?