Sam? Is het Sam?; Toneelstuk over Samuel Becket en Jacoba van Velde

Dank zij vertaalster Jacoba van Velde maakte het Nederlandse publiek al in de jaren vijftig kennis met het werk van Samuel Beckett. Karlijn Stoffels schreef een toneelstuk over hun relatie, die meer dan veertig jaar duurde. “Beckett is zo verschrikkelijk gesloten dat het is of hij in een grot woont. En Jacoba komt hem een lampje brengen, en een pannetje soep misschien.”

Beckett & Jacoba door Theatergroep Toetssteen gaat op 24 maart in première in Theater De Engelenbak, Nes 71, Amsterdam. Telefoon: 020-6266866. Het Verzameld Werk (1987) van Jacoba van Velde, uitgegeven door Querido, is alleen antiquarisch te krijgen.

Terwijl de stroeve Samuel Beckett door zijn vertaalster en pleitbezorgster Jacoba van Velde liefderijk wordt omhelsd, spreken Becketts handen andere taal: verkrampt houdt hij ze met gebogen vingers achterwaarts gericht, weg van haar in plaats van ze in haar richting te bewegen. Alsof hij terugdeinst. Alsof hij zoveel aandacht en intimiteit niet kan verdragen.

Dit op een foto vastgelegde dramatische moment is symbolisch voor de verhouding tussen Jacoba van Velde (1903-1985) en Beckett (1906-1989). Een verhouding die meer dan veertig jaar duurde, een verhouding van toenadering zoeken en afstand nemen. Er gaat het apocriefe verhaal dat Samuel Beckett de stervende Jacoba in het ziekenhuis belde. Anderen betwistten deze laatste groet van de meester aan de vrouw aan wie hij zoveel te danken had: zij bracht in Nederland prachtige vertalingen uit van zijn toneelwerk. Of het waar is of niet, van die afscheidsgroet, het blijft veelbetekenend.

Ten onrechte is Jacoba van Velde een wat schimmige gestalte achter de met de Nobelprijs bekroonde toneel- en romanschrijver Beckett. Er zijn biografen die haar ternauwernood een voetnootje gunnen. Jacoba van Velde verdient meer, en beter. Niet alleen omdat Nederland dankzij haar al vroeg in de jaren vijftig met het werk van Beckett kon kennismaken. Zelf heeft ze op zijn minst één belangwekkende roman geschreven, De grote zaal (1953), talloze malen herdrukt en in vele talen vertaald. Haar Verzameld Werk bevat verder korte verhalen en de mooie, misschien wat te dromerig-meisjesachtige roman over dans en liefde Een blad in de wind uit 1961.

Toneelschrijfster Karlijn Stoffels heeft Jacoba uit het rag van de tijd tevoorschijn gehaald met de voorstelling Beckett & Jacoba, geschreven voor het gezelschap Toetssteen. Aanvankelijk heette het stuk kort en goed Jacoba, daarmee beklemtonend dat de hoofdrol vervuld werd door een vrouw. Hoewel het nu gaat als Beckett & Jacoba, is het eerherstel voor Jacoba er niet minder om.

Eén van de eerste zinnen luidt: “Ik ben helemaal niet alleen. (-) Hij zal nu wel gauw opbellen.” Die 'hij' op wie ze wacht op haar ziekbed, dat is natuurlijk Beckett. Vervolgens krijgen we als toeschouwer in een reeks flash-backs het verhaal over Samuel en Jacoba te zien, variërend van aarzelend en timide tot een heftige, wilde liefdesnacht. Ter afwisseling van deze scènes zijn we getuige van Jacoba's schier oneindige energie om Beckett aan uitgever of toneelgroep te helpen. In Nederland was dat het gezelschap Studio onder leiding van regisseur Kees van Iersel. Tot slot is er weer Jacoba's eenzaamheid, vlak voordat ze doodgaat. Haar laatste, vragend uitgesproken woorden zijn: “Sam? Is het Sam?” Opoffering

Karlijn Stoffels heeft een voorkeur voor hoorspelen en toneelstukken die uitgaan van feiten. Ze schreef eerder over Sartre en Simone de Beauvoir. In haar woonhuis in Lunetten bij Utrecht, aan een withouten kale tafel brengt ze haar fascinatie voor dit genre 'documentair toneel' onder woorden. Ze spreekt veel met haar handen, dat wil zeggen: op het tafelblad tekent ze voortdurend lijnen, cirkels, patronen. Net of ze de emotionele bewegingen van haar toneelstuk wil visualiseren. “Het gezelschap Toetssteen is semi-professioneel, dat trekt een heel ander publiek dan bijvoorbeeld Richard III in de Stadsschouwburg. Voor mij gaat het in toneel vooral om de persoonlijke relatie tussen twee mensen, in dit geval Beckett en Jacoba. Hij is zo verschrikkelijk gesloten dat het is of hij in een grot woont. En Jacoba komt hem een lampje brengen, en een pannetje soep misschien. Of hij is als het topje van een ijsberg, en zij vaart in haar bootje ernaartoe. Jacoba is een tragische heldin. Ze is haar leven lang verstrikt gebleven in het dilemma tussen opoffering en zelfzucht. Enerzijds wilde ze schrijven, anderzijds was de drang in haar om dienstbaar te zijn onnoemelijk sterk. In haar jeugd was het al zo, toen ze voor haar schilderende broers Bram en Geer moest zorgen. Brandt hun kacheltje wel? Willen ze misschien koffie? Of haar moeder gebood haar: 'Ga hun schoenen poetsen!'

“Ik ben niet gedreven door feministische motieven, wel door idealistische. Ik wilde Jacoba allereerst eerherstel bewijzen; bovendien intrigeert het me waarom zij niet even rücksichtslos voor haar eigen literaire werk koos als Beckett. Misschien is het wel heel vrouwelijk van haar, dat verzorgende. Beckett zei vaak tegen haar dat ze elke dag een uur moest schrijven; dat deed hij immers ook. Ze heeft het geprobeerd, starend naar het witte vel papier. En kwam er niet uit. Beckett ging stug door. Jacoba werd verlamd door haar bewondering voor hem, maar ook voor Arrabal en Ionesco. Ze dacht dat anderen beter schreven dan zij. Ik vind daarentegen dat mensen die in staat zijn tot bewonderen een grote persoonlijke kracht bezitten. Dat is trouwens zeldzaam in Nederland waar liever wordt afgebroken dan bewonderd.

“Jacoba heeft in het vertalen een ideale synthese gevonden, of noem het levensvervulling. Enerzijds ga je op in een ander en andermans werk; anderzijds creëer je iets nieuws. Vaak ook nog in opdracht. Dat geeft zekerheid. Ik denk dat een vrouw zoiets nodig heeft. Mannen die de godganse dag over het papier als over hun eigen ziel gebogen zitten en denken dat de wereld op hun verdichtsels zit te wachten, die begrijp ik niet. Wat een hoogmoed. Althans, zo vergaat het mij. Dan heb ik liever Sam en Jacoba die in niets geloofden, niet in lezers, zelfs niet in toekomstige. De enige motivatie die Beckett nog had om te schrijven is 'dat alles nog erger zou zijn als hij het naliet'.”

Het lijkt een onmogelijke opgave twee starre, ijzige personages als Sam en Jacoba te introduceren op de Bühne, beiden nauwelijks in staat het geluk te proeven. Beckett als opgewekte flierefluiter is moeilijk voorstelbaar en het werk van Jacoba geeft evenmin aanleiding tot feestelijke, flamboyante gedachten over haar gemoedsleven. Het liegt er niet om wat ze schrijft in Een blad in de wind: “Plotseling was de ontzetting er weer, de afgrond. In een flits omvatte ze het hele menselijke lot, ze begreep alles, met een verblindende helderheid... in een ondeelbaar ogenblik was ze een wrak.” En verderop: “Dat de mens alleen leeft en alleen sterft.”

Angst, eenzaamheid en de dood. Zijn dat niet ook de sleutelwoorden in Becketts oeuvre? Toch zal de voorstelling een grote emotionaliteit bezitten, verzekert Karlijn Stoffels. “Beckett had beslist humor, ondanks zijn verkramptheid. Toen iemand hem eens vroeg of hij een gelukkige jeugd had gehad, antwoordde hij: 'Mijn vader heeft me niet geslagen en mijn moeder is niet weggegaan.' Ja, concludeerde men, dan heeft onze kleine Sam een gelukkige jeugd gehad. De werkelijkheid bleek anders. Het was juist zijn moeder die hem sloeg, en de vader die een wegloper was. Als iemand in staat is tot een dergelijk antwoord, zonder een spoor van huilerigheid, dan kan ik niet anders dan besluiten met een geëmotioneerd karakter van doen te hebben. En denk eens aan de bootjesscène in Krapp's laatste band Aldoor weer het gepassioneerde liefdesverhaal over een vrouw in een bootje, het deinen op de golven, dat zij niet bewogen maar dat het bewoog onder hen... Wat een obsessie.”

Hoe zou Jacoba van Velde een voorstelling gevonden hebben als Wachten op Godot van een paar jaar geleden, geheel door vrouwen gespeeld? Ze was behalve vertaalster van zo'n tien toneelstukken toch ook Becketts pleitbezorgerster, en wie weet zijn beschermengel voor wat er met zijn werk op de Bühne gebeurde?

“Laat ik vooropstellen dat ik die Godot een slechte voorstelling vond,” zegt Karlijn Stoffels. “Afgezien daarvan, vind ik Becketts houding onbegrijpelijk. Als je niet wilt dat iemand je tekst interpreteert, dan is toneel eigenlijk een verboden genre. Je kunt niet alles tot in het oneindige onder controle houden. Het is inherent aan toneel dat het zich aan de wil van de schrijver onttrekt. Van Beckett & Jacoba zie ik tijdens de repetities telkens een andere voorstelling. Zo hoort het ook. Toneel leeft, dus het verandert onophoudelijk.”

Entre'actes en muziek verlevendigen de voorstelling. Beckett hield van muziek, van Bartók bijvoorbeeld. Hij heeft weleens een jazz-nummer geschreven. Hij was ook een groot liefhebber van muziek in stomme slapstickfilms. Wie zegt dat je met Beckett & Jacoba niet lachen kunt? De eerste aangeduid met zijn ernstige achternaam, de tweede met haar welluidende Hollandse voornaam. Dat geeft de verhoudingen kennelijk precies weer.

Karlijn Stoffels voegt eraan toe: “Ja. Ik ben zeer trouw gebleven aan de beide figuren als historische personages. Maar de teksten die ze zeggen komen uit mijn koker. Ik laat hen zeggen wat ze graag hadden willen zeggen. Maar wat ze nooit durfden.”

    • Kester Freriks