Rechter buiten spel in nieuw reprorecht

Terwijl de Eerste Kamer nog vragen heeft over een nieuwe regeling van het reprorecht heeft het ministerie van justitie een brief doen uitgaan met de aankondiging dat het reprodubbeltje, de prijs van een alledaagse (foto-) kopie, wordt verhoogd tot een reprokwartje, om precies te zijn 24 cent per gekopieerde pagina.

Als reden voor deze verhoging van 140 procent wordt opgegeven dat sinds het dubbeltje in 1974 werd vastgesteld de index van de gemiddelde prijs van boeken en tijdschriften is gestegen van 100 naar 278,5. Maar deze prijsontwikkeling betreft de bruto publieksprijs van produkten van de drukpers en niet de royalties die de auteur ontvangt. En de primaire maatstaf voor een auteursrechtelijke heffing zoals het reprorecht is toch niet de uitgever maar de schrijver.

Het is de vraag waar het reprodubbeltje in 1974 eigenlijk vandaan kwam, zo wil nu ook de PvdA in de Eerste Kamer weten, want royalties van een dubbeltje per pagina worden zelfs twintig jaar later nog niet gehaald. Een enkele blik op de vakliteratuur is voldoende. Het gezaghebbende handboek Spoor & Verkade, Auteursrecht kost ƒ 151,- en telt 622 bladzijden. Uitgaande van een royalty van 10 procent is dat krap tweeëneenhalve cent per pagina voor de auteurs. De schrijver van een artikel in het Nederlands Juristenblad ontvangt een honorarium van pakweg ƒ 60,- per bladzijde. Bij een oplage van twaalfduizend exemplaren is dat ongeveer een halve cent per pagina. De reader-regelingen die de universiteiten met de uitgeversbond hebben getroffen, nemen de auteursroyalty wèl als uitgangspunt en vallen veel lager uit. Spoor en Verkade concluderen dat het reprorecht daar een voorbeeld aan dient te nemen.

Er is met het reprorecht nòg iets vreemds aan de hand en dat betreft de incasso. Deze is voor fotokopiëren natuurlijk niet eenvoudig. Er worden per jaar in ons land letterlijk miljarden kopieën gemaakt. Omdat de auteursrechthebbenden daar zelf nooit aan kunnen beginnen hebben zij in 1974 de Stichting Reprorecht opgericht om de vergoedingen te innen. Dit ging moeizaam, er bestond twijfel bof de stichting wel voldoende representatief was. In 1985 kreeg de stichting echter van de overheid de status van ERO (eigen recht organisatie) en daarmee een zelfstandige bevoegdheid om tegen kopieeerders op te treden. Dit gold echter alleen ten aanzien van de (semi)overheid. Een wetsvoorstel dat nu bij de Eerste Kamer ligt wil het eigen recht van de stichting uitbreiden tot ondernemingen en dergelijke.

Het probleem blijft echter dat het kopieerapparaat niet auteursrechtelijk geijkt is. Het kopieert rijp en groen. Daar zit natuurlijk het nodige bij dat voor een vergoeding in aanmerking komt, maar veel kopieën vallen daar om verschillende redenen buiten. Wat er volgens de nieuwe wet precies onder het reprorecht valt is juridisch gezien overigens nog een steen des aanstoots. Theoretisch zou de stichting zelfs een vergoeding kunnen eisen voor het intern kopiereren van stukken waarvan het auteursrecht ondubbelzinnig bij de betrokkene zelf ligt. De fax en elektronische 'document delivery' zorgen voor extra complicaties.

Waar trekt men de grens? In dit grijze gebied lijken onderhandelingen tussen de stichting en de afzonderlijke (groot)-kopieerders de enige oplossing. Dei geeft de nieuwe wet dan ook aan. Maar het wordt wel een zeer ongelijk onderhandelingsproces. Als overeenstemming uitblijft mag de incasso-organisatie het aantal reprorechtelijk relevante kopieën eenzijdig schatten op basis van een eigen steekproef. De enige manier daar nog onder uit te komen is dat de aangeslagen kopieerder aannemelijk maakt dat de schatting niet klopt. Maar dat is nauwelijks te doen gezien de moeilijkheid kopieergedrag behoorlijk te administeren. Door de wettelijke omkering van de bewijslast wordt de rechter in verregaande mate buitenspel gezet.

Zeker het uitsluiten van onafhankelijke toetsing geeft voedsel aan het verwijt dat het auteursrecht “stukje bij beetje tot zijn eigen rechtvaardiging wordt”, zoals men in auteursrechtelijke kring bij een - schaarse - aanleiding tot zelfonderzoek wel heeft willen toegeven. Vragen heeft ook de rechter N.van Lingen, die zelf in het bestuur zit van twee ERO's, blijkens een recent artikel in de vakpers. In 1986 betwijfelde hij in een pre-advies al openlijk of de vooruitgang van kunst, wetenschap en techniek wel zo is gediend met “de gestage groei van mini-monopolies met de daarbij behorende heffingen, controles, licenties en organisaties”. Deze waarschuwing gaf Van Lingen mede dankzij de 'gelegenheidswetgeving' zoals het reprorecht.

Vijf jaar geleden vierden we in grote kring H. F. 80. ' 85 is geen bijzonder getal', zei hij toen in zijn slotwoord, en kort na een kleine intieme verjaardagsviering op de vakgroep OWOC kwamen we samen om hem te begraven.