Pensioen moet toch op de helling

Het politieke gekrakeel over de bevriezing van de AOW verhult de noodzaak tot hervorming van het hele pensioensysteem. Volgens Ruud Muffels moet in de AOW-discussie de samenhang tussen inkomen, arbeid en zorg voor ouderen beter in het oog worden gehouden.

Het idee van het CDA om de AOW-uitkeringen vier jaar te bevriezen is in het nieuwste voorstel verdwenen. Het CDA loopt nu volledig in de pas met de voorstellen van D66 en de PvdA, die al eerder pleitten voor een jaarlijkse beoordeling van de ruimte voor koopkrachtbehoud van de minimum-uitkeringen. Maar het CDA houdt een stok achter de deur. Indien de loonmatiging onverhoopt niet slaagt komt er ook geen lastenverlichting en zal er dus ook niet gekoppeld worden. Dan zal alsnog sprake zijn van ontkoppeling en koopkrachtverlies. Dit leidt tot een groeiende ongelijkheid tussen werkenden en niet-werkenden maar ook tussen ouderen met een minimum inkomen of een klein aanvullend pensioen en ouderen met een goed pensioen.

Volledige ontkoppeling van AOW en lonen is geenszins nodig. Op verschillende manieren kan gedeeltelijke worden ontkoppeld. Ten eerste kan sprake zijn van een koppeling aan de prijsindex waardoor de koopkracht op peil blijft. Op deze manier wordt een waardevast pensioen gegarandeerd. Ten tweede is er de mogelijkheid dat de AOW-uitkeringen worden gekoppeld aan de gemiddelde CAO-lonen (regelingsloonindex). Deze vorm van koppeling garandeert een gedeeltelijk welvaartsvast AOW-pensioen.

Volgens het optimistische rapport van de commissie Drees in 1987 is zo'n koppeling ook op langere termijn betaalbaar, omdat de uitkeringen gekoppeld zijn aan de contractlonen terwijl de premies gekoppeld zijn aan het hogere feitelijk loon. Dit leidt tot extra premie-inkomsten die volgens een recent rapport van de WRR ('Ouderen voor ouderen') voldoende zijn om tot het jaar 2010 de uitgaven als gevolg van de vergrijzing en de koppeling te financieren.

Het WRR scenario heeft echter onvoldoende oog voor de relatie tussen AOW en aanvullende pensioenen. De AOW is als basispensioen ingebouwd in de aanvullende pensioenen die een uitkering garanderen van zeventig procent van het laatstverdiende loon (eindloonstelsel). Ontkoppeling van AOW en lonen levert niet veel op als het resulterende koopkrachtverlies wordt gecompenseerd in de aanvullende pensioenen. De hogere lasten voor de aanvullende pensioenen zullen namelijk worden afgewenteld op de lonen en dus indirect leiden tot hogere loonkosten.

De koppeling kan worden gehandhaafd indien het bedrijfspensioen wordt veranderd in een gedeeltelijk welvaartsvast of waardevast pensioen. Deze opties verminderen de toekomstige premielast en bieden een daadwerkelijke oplossing voor de betaalbaarheid van AOW en het bedrijfspensioen.

De premielasten die nodig zijn om de welvaartsvastheid van de bedrijfspensioenen (zeventig procent eindloon) te garanderen, worden collectief verdeeld over jongere en oudere werknemers. Hier begint de schoen te wringen. Ouderen dragen slechts gedurende een korte tijd extra premies af en toucheren toch een volledig pensioen. In feite worden de premies die nodig zijn om ouderen een goed pensioen te geven, de zogenoemde backservice, afgewenteld op de jongeren. En aangezien er door ontgroening en vergrijzing steeds meer ouderen en steeds minder jongeren komen, zullen de premies moeten stijgen. Bij ongewijzigd beleid zal als gevolg van de vergrijzing de premielast voor de AOW en de aanvullende pensioenen tot het jaar 2030 verdubbelen tot zo'n veertig procent van de loonsom.

De vraag is of jongeren bereid zullen zijn zo'n groot deel van het loon af te staan terwijl onzeker is wat ze later zelf aan pensioen zullen ontvangen. Dit vraagt om een hoge mate van solidariteit tussen jong en oud. Het sleutelen aan de AOW levert geen enkele bijdrage aan het majeure vraagstuk van de solidariteit tussen de generaties. Het dwingt daarom tot een hervorming van het pensioensysteem.

Ten eerste zal in de aanvullende pensioenen moeten worden overgegaan van een eindloonsysteem naar een soort middelloonstelsel, waarin het pensioen is afgestemd op het gemiddelde loon dat men gedurende het werkzame leven heeft verdiend. De aanvullende pensioenen zijn thans zeer ongelijk verdeeld. Van de tachtig procent ouderen met een aanvullend pensioen heeft vijfenvijftig procent een aanvullend pensioen van minder dan vijfhonderd gulden per maand. Een kleine tien procent heeft een aanvullend pensioen van drieduizend gulden per maand of meer. Deze ongelijkheid zal in de toekomst eerder groter dan kleiner worden.

In alle westerse landen neemt de ongelijkheid in de arbeidsinkomens sinds het midden van de jaren tachtig sterk toe en dit wordt via de koppeling aan het laatst verdiende loon doorgegeven aan de verdeling van pensioenen. Door de overgang naar een middelloonstelsel wordt ook een betere verdeling van de pensioenen bewerkstelligd. Bovendien wordt door een middelloonstelsel het probleem van de 'backservice' (pensioen waarvoor geen premie is betaald) grotendeels opgelost en worden de premielasten beter verdeeld tussen jong en oud. Per saldo is het systeem bovendien aanzienlijk goedkoper. In 2020 zullen de premielasten alleen al door overgang naar een middelloonstelsel 30 procent lager zijn.

Daarnaast moet serieus worden nagedacht over vervanging van de inbouw van de AOW in de aanvullende pensioenen door een gesplitst en geïndividualiseerd stelsel waarbij de AOW volledig is losgekoppeld van het aanvullend pensioen. In een dergelijk stelsel is de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen overheid, sociale partners en individuele burgers duidelijker. Daarnaast geeft het de mogelijkheid om geleidelijk het omslagelement in het pensioensysteem te verminderen ten gunste van kapitaaldekking, zodat tevens het probleem van de financierbaarheid van de pensioenen als gevolg van de demografische ontwikkeling vermindert. Het pensioen wordt veel meer afgestemd op de individuele omstandigheden en behoeften. Mogelijkheden van flexibele en geleidelijke pensionering kunnen, zo mogelijk onderdeel vormen van zo'n geïndividualiseerd pakket.

Tot slot zal niet aan vervanging van de genereuze en tijdelijk bedoelde VUT-uitkering ontkomen kunnen worden. Met financiële prikkels kunnen werknemers gestimuleerd worden langer door te werken en geleidelijk tussen het zestigste en zeventigste jaar de werktijd te verminderen. Dit draagt bij tot de oplossing van het pensioenvraagstuk, enerzijds doordat het draagvlak van premiebetalenden wordt vergroot, anderzijds doordat het gedeeltelijk doorwerken van de oudere betekent dat gedurende een kortere tijd pensioen wordt ontvangen.

De hervorming van het pensioenstelsel en de keuze voor deeltijd-pensionering betekent een wederkerige solidariteit tussen jong en oud. Deze betreft niet alleen het inkomen of pensioen maar ook de arbeidspositie. Immers, deeltijd-pensionering betekent een herverdeling van arbeid binnen de oudere generatie maar ook tussen jong en oud. Ik pleit daarom voor een samenhangend ouderenbeleid waarin de inkomens- en arbeidsposities van jong en oud in hun onderlinge relaties worden bezien.

Maar in een samenhangend ouderenbeleid gaat het om meer. Naast inkomen en arbeid gaat het ook om de huisvestings-, welzijns- en zorgsituatie van ouderen of met andere woorden om de mate waarin het beleid door een samenstel van maatregelen de participatie van ouderen in de samenleving weet te vergroten. De kosten voor de ouderenzorg zijn tussen 1980 en 1993 verzestienvoudigd en het is niet moeilijk in te zien dat de kosten van de ouderenzorg die via omslag worden verhaald op de jongeren door de vergrijzing tot hoge premielasten zullen leiden. Wederkerige solidariteit tussen jong en oud is dus ook nodig om een minimum aan zorg voor iedereen veilig te stellen.