Overal waait de nieuwe geest; Franz Marc in het Westfalisches Landesmuseum

De Beierse schilder Franz Marc had een diep ontzag voor de natuur. Zelfs in volkomen abstract lijkende doeken duikt zitten konijntjes verstopt. Maar in 1916, toen hij twee jaar aan het front had doorgebracht, vond hij de wereld lelijk en gemeen. Een overzicht van zijn oeuvre is nu op verschillende tentoonstellingen in Münster te zien.

Franz Marc - Kräfte der Natur. Werke 1912-1915; Von Klee bis Poliakoff - Sammlung Etta und Otto Stangl T/m 15 mei. Westfälisches Landesmuseum Münster, Domplatz 10, Münster. Di t/m zo 10-18u. en do. tot 22u. Catalogus Franz Marc: 36 DM; Sammlung Stangl 42 DM (samen 65 DM).

Wassily Kandinsky herinnerde zich zijn schildervriend Franz Marc als 'ein echter Bayer'; een grote man met brede schouders, een karaktervolle kop en een stevige pas in de benen. Het deed hem goed Marc te zien marcheren met rugzak en wandelstok over de Alpenweide. “Zijn natuurlijkheid kwam op een wonderbaarlijke wijze overeen met de natuur en het leek alsof de natuur zich over hem verheugde.”

Aan de ontmoeting tussen deze twee grondleggers van de moderne kunst ging het volgende vooraf. In 1909 richtten Kandinsky, zijn vriendin/kunstenares Gabriele Münter, Alexej von Jawlensky en nog enkele anderen de 'Neue Künstlervereinigung München' op. Hun tentoonstellingen, waarin zij werk presenteerden van internationale modernen als Malevitsj, Picasso, Braque, Derain, Vlaminck en Van Dongen, werden in de pers ongenadig neergesabeld. De verenigingsleden en hun gasten waren, zo veronderstelde men, óf ongeneeslijk geestesziek óf schaamteloze bluffers die misbruik maakten van de sensatiezucht van die tijd. Tussen de negatieve reacties die een tentoonstelling bij galerie Thannhauser opleverde, zat welgeteld één lovende brief. De afzender was Franz Marc, een schilder die de kunst wilde 'animaliseren' en later naam zou maken met doeken van gestileerde dieren, veelal paarden, in primaire, krachtige kleuren, die vloeiend en als vanzelfsprekend waren opgenomen in geabstraheerde, dynamische landschappen.

Het publiek, zo schetste Marc in deze brief de stand van zaken, verlangt niets anders dan 'Staffeleikunst' (schildersezelkunst), waarmee hij negentiende-eeuwse salonkunst bedoelde. De mensen worden nerveus en onzeker wanneer ze niet krijgen wat ze verwachten, schreef hij. Weet dan niemand dat er tot in alle uithoeken van Europa eenzelfde 'neuschaffende Geist' waait, een vernieuwende geest die trots en zelfbewust is?

Marc werd na deze bemoedigende woorden natuurlijk meteen met open armen ontvangen in Kandinsky's kunstenaarsvereniging. Nog datzelfde jaar zou hij samen met Kandinsky de legendarische tentoonstelling 'Der blaue Reiter' organiseren. Volgens veel naslagwerken werd deze tentoonstelling vernoemd naar een schilderij van Kandinsky, waar overigens geen blauwe ruiter op te zien was. Zelf verklaarde Kandinsky eens dat hij samen met Marc de naam verzonnen had onder het genot van een kopje koffie op een terras in Sindelsdorf, een plaatsje ten zuiden van München waar Marc samen met zijn vrouw Maria Franck een boerderij bewoonde. Beiden hielden van blauw, Marc van paarden en hijzelf van ruiters.

De tentoonstelling 'Der blaue Reiter', die wel als het begin van de moderne kunst in Duitsland geldt, werd omstreeks de jaarwisseling van 1911/1912 gehouden in dezelfde galerie Thannhauser. Gedurende een periode van twee weken hingen daar dicht op elkaar vijftig doeken van veertien kunstenaars van zeer uiteenlopend karakter. Zo bevonden zich tussen het werk van Robert Delaunay, die grote invloed had op Marc, schilderijen van August Macke, de componist Arnold Schönberg en enkele doeken van de bij moderne kunstenaars zeer geliefde 'naïeve' schilder Henri Rousseau.

Religieus

Een overzicht van het gehele oeuvre van Franz Marc (München 1880 - Verdun 1916) kan men nu in het Westfälisches Landesmuseum Münster krijgen. Want daar is naast de tentoonstelling 'Franz Marc - Kräfte der Natur, Werke 1912-1915' de 'Sammlung Etta und Otto Stangl - Von Klee bis Poliakoff' te zien. Hiervan is niet alleen een zaal gewijd aan de Blaue Reiter, maar ook komen we Marc, evenals enkele prachtige schilderijen van Max Beckmann, elders in de Stangl-expositie tegen. Bovendien is Marc nog terug te vinden in de vaste collectie van het Münsterse museum, onder meer met de muurschildering 'Paradies' die hij samen met August Macke in 1912 maakte in het atelier van Macke in Bonn. Deze muur is jaren geleden overgebracht naar Münster.

Uit de tentoonstellingen blijkt dat zijn gehele oeuvre, van zijn vroege impressionistische schilderijen tot zijn felle geabstraheerde landschappen, in het teken staat van een diep religieus ontzag voor de natuur. Soms zie je in een late Marc, een op het eerste gezicht volkomen abstract doek, opeens in het kleurengeweld ergens nog een konijntje verstopt. Dat siert Marc; hij kon zijn liefde voor de dierenwereld niet helemaal loslaten al bleef er gaandeweg weinig meer van de beestjes over en losten ze soms geheel op in een landschap van grillige geometrische patronen.

Zeer getalenteerd en academisch opgeleid, en met een schilderende vader als vroege leermeester, wilde hij een moderne kijk op de natuur geven waarbij het niet meer ging om afbeelding van de zichtbare werkelijkheid maar om het innerlijke en zuivere karakter van het onderwerp. “Tradities zijn mooi”, zei Marc eens, “het is geweldig om een traditie te scheppen, maar niet om er in te leven.” Zuiverheid vond Marc niet in de mens maar in de dieren. Vooral paarden hadden bij hem een streepje voor.

Toch verviel Marc na een sterk begin in zijn Blaue-Reitertijd nogal eens in oppervlakkig en decoratief schilderwerk. De kracht van bijvoorbeeld 'Steiniger Weg' uit 1911, een hoogtepunt van de tentoonstelling, weet hij zelden te evenaren. Juist in de aanloop van zijn zoektocht naar nieuwe uitdrukkingsvormen ondervindt hij veel weerstand en problemen, die voor spanning zorgen. Eenzelfde spanning keert in zijn latere werk weer terug, zoals in 'Kämpfende Formen' uit 1914.

Tot Marcs eigenaardige ideeën behoren die over de symboliek van kleuren. Blauw stond voor hem voor het mannelijke beginsel, het onstoffelijke en harde; geel voor het vrouwelijke, zachte en zinnelijke. Rood, een kleur die voortdurend door geel en blauw bestreden en overwonnen moest worden, voor het brutale. Man en vrouw streden bij hem dus zij aan zij tegen de bruut rood. Als rechtgeaard socialist zal Marc hiermee niet het rode gevaar hebben bedoeld. Ook over de mengkleuren hield hij er curieuze theorieën op na. Voor groen bijvoorbeeld moet blauw (de hemel) en geel (de zon) te hulp komen om, zo schreef Marc in een brief aan August Macke, 'die Materie zum Schweigen zu bringen'.

Weerzinwekkend

De Eerste Wereldoorlog maakte een einde aan de activiteiten van de groep. Kandinsky moest als Rus Duitsland verlaten en schilders als Auguste Macke en Franz Marc gingen naar het front. In 1914 meldde Marc zich, net als Otto Dix en zovele anderen in die dagen, vrijwillig bij het leger. Hij was aanvankelijk enthousiast over de oorlog. Hij meende de 'Geist' te voelen die achter de slachting en achter elke kogel zweefde. Artilleriegevechten vond hij imposant en zelfs mythisch.

Twee jaar na zijn aanmelding schreef hij in een brief, gestuurd vanaf het front, dat hij mensen altijd al gemeen en lelijk had gevonden. Het dier had hem veel mooier en reiner geleken. Maar ook in de natuur had hij veel weerzinwekkends en slechts ontdekt. Zijn voorstellingen waren daarom steeds schematischer en abstracter geworden. Bomen, bloemen en aarde hadden in zijn ogen steeds gemenere kanten gekregen. De 'Hässlichkeit' van de natuur en haar 'Unreinheit' waren uiteindelijk volledig tot hem doorgedrongen. Misschien hebben onze Europese ogen, zo besluit Marc zijn brief, de wereld vergiftigd en verminkt; daarom droomde hij van een nieuw Europa. Een half jaar na deze brief maakte een Franse granaatscherf een eind aan zijn leven, wat onmiddellijk een sterke stijging van de marktwaarde van zijn werk tot gevolg had.

    • Mark Peeters